Door Wim Dubbink (Hoogleraar Tilburg University)

De Nobelprijs voor de economie is dit jaar toegekend aan onder meer Esther Duflo, ontwikkelingseconome werkzaam aan het Massachusetts Institute of Technology. Duflo werd pas geïnterviewd door de Volkskrant. In dat interview deed ze de volgende uitspraak: “Veel individuen in rijke landen hebben het gevoel dat zij hun waardigheid zijn verloren”.  

In principe ben ik het met die uitspraak eens. Maar juist omdat Duflo een econome is, zit me de uitspraak toch niet lekker. Sterker nog, ik ben er narrig over.

Meten is weten

Wat bedoelde Duflo precies? Ze sprak haar zorg uit over de teloorgang van waardigheid. Het was niet zo dat Duflo blij was met het verlies van waardigheid. Ze zei niet ‘eindelijk ontwikkelt de samenleving zich in een richting die wij economen altijd al als wenselijk hebben gezien: de mensen raken hun gevoel voor waardigheid kwijt!’

Mensen raken hun gevoel voor waardigheid kwijt!

Nee, uit de context komt duidelijk naar voren dat Duflo het een slechte zaak vindt dat mensen het gevoel krijgen dat ze hun waardigheid verliezen. Nu zou je kunnen denken: natuurlijk bedoelt ze dit kritisch! Waarom moet dat worden geëxpliciteerd? Nou, juist omdat Duflo een econome is, is het nog maar de vraag of ze kritisch staat ten opzichte van het verlies van waardigheid als goed.

Daar komt mijn narrigheid vandaan: het zijn juist economen geweest die sinds jaar en dag insisteren dat de betekenis en waardering van al het menselijk handelen kan en moet worden gereduceerd tot één maatstaf. En daardoor wordt – bewust of onbewust – ook het belang van waardigheid ontkent. Sterker nog: economen ontkennen dat waardigheid überhaupt kan bestaan.

Alle goederen zijn commensurabel

Economen hebben sterk de neiging alles wat mensen van waarde achten, in hun denken te reduceren tot één maatstaf.

Hiermee zeg ik niet dat economen niet reflecteren op de algemene maatstaf waarmee ze het menselijk handelen wil begrijpen en wegen. Dat doen ze voortdurend. In de afgelopen twee à drie eeuwen is er al een grote variatie aan mogelijke maatstaven voorbijgekomen: onder meer geluk, geld, nut, en preferentiebevrediging.

Mijn punt is dat economen alles van waarde commensurabel achten, hoe moeilijk de vergelijking ook is. Er hangt veel af van die commensurabiliteit: door commensurabiliteit ontstaat meetbaarheid en – gegeven huidige opvattingen – daardoor ‘wetenschappelijke kennis’.

Maar is alles van waarde meetbaar?

Waardigheid laat zich echter niet in dit keurslijf dwingen. Als waardigheid iets is waar mensen zich aan kunnen vasthouden, dat zin geeft aan het leven, dan zijn economen genoodzaakt af te stappen van de idee dat alles uitdrukbaar is in één grootheid. Waardigheid zet zich immers noodzakelijk af tegen geluk, preferentiebevrediging of welke andere grootheid ook.

Waardigheid laat zich niet in dit keurslijf dwingen

Het is conceptueel onzin om te zeggen dat iemands geluk groter werd toen haar waardigheid toenam. De idee van waardigheid zet zich conceptueel af tegen begrippen als geluk en preferentiebevrediging. Het is, om het zo maar te zeggen, een ‘tegenbegrip’.

Het afzettende karakter van waardigheid blijkt uit de wijze waarop ‘waardigheid’ wordt gedefinieerd. ‘Waardigheid’ kan worden gedacht als ‘het morele recht hebben op het geluk dat een mens toekomt’. Het omgekeerde, onwaardigheid of nietswaardigheid, betekent moreel geen recht hebben op het geluk dat iemand feitelijk ten deel valt. Waardigheid staat dus tegenover geluk; het kwalificeert geluk.

Een voorbeeld: Van een vrouw die met louche praktijken erg rijk is geworden, zeggen dat ze haar geluk niet waardig is. Hoe gelukkig ze ook is, ze is een miserabele figuur: haar geluk niet waard.

Omgekeerd kunnen we van iemand met een terminale kanker zeggen dat hij de ziekte waardig droeg. Daarmee proberen we niet per se te zeggen dat deze persoon gelukkig was in die periode van zijn leven. We willen juist zeggen dat iemand met respect voor zichzelf en anderen omging met zijn lijden en verdriet. Hij kon zich over de hang naar geluk en preferentie-bevrediging heenzetten.

Overigens, de filosoof Kant stelt dat van de kracht om waardig te kunnen leven wel degelijk een positief effect uitgaat op het gemoed. Hij noemt dit ‘zelftevredenheid’. Maar ook hij onderscheidt dit nadrukkelijk van geluk.

Op naar een economie van waardigheid

Een samenleving die het belangrijk vindt dat mensen hun waardigheid behouden moet dus méér te zeggen hebben dan dat geluk, genieten, of preferentiebevrediging alles is wat waarde heeft in de wereld.

Wil er waardigheid zijn, dan moet iets anders ook van waarde zijn. En hier steekt mijn narrigheid over de uitspraak van Duflo weer de kop op. Juist de economische wetenschap ontkent sinds jaar en dag dat waardigheid als betekenisgevend goed kan bestaan, althans voor zover dat moet worden gedacht als iets dat radicaal anders is dan geluk of preferentie bevrediging. Dus het is wel een beetje wrang dat juist een econome aangeeft dat mensen het gevoel hebben hun waardigheid te verliezen.

Hoe zou dat toch komen nu mensen al decennia worden overspoeld met een economisch discours dat hiervoor geen plaats inruimt? En het is niet zo dat economen onwetendheid door onschuld kunnen claimen. Dit is precies het punt dat vanuit de filosofie al decennialang tegen de economie wordt ingebracht.

En pas nu de wereld tamelijk ras in een puinhoop verandert, beginnen de economen echt naar de wereld te kijken

En pas nu de wereld tamelijk ras in een puinhoop verandert, beginnen de economen echt naar de wereld te kijken en realiseren ze zich dat hun wetenschap het op een tamelijk fundamentele manier verkeerd heeft begrepen, althans in zoverre die wetenschap de pretentie heeft iets over de werkelijkheid te willen zeggen.

Misschien moeten we niet narrig zijn maar de zaak van de positieve kant bekijken en zeggen: gelukkig, ook de economen realiseren zich dat het leven niet alleen over geluk, nut of preferentiebevrediging gaat.

Een wetenschap die haar belofte nakomt en daadwerkelijk betrokken is bij het menselijk bestaan

Dat levert enerzijds een sterkere economische wetenschap op – namelijk een wetenschap die haar belofte nakomt en daadwerkelijk betrokken is bij het menselijk bestaan. Anderzijds kan de omwenteling binnen de economische wetenschap bijdragen aan de totstandkoming van een samenleving waarin ethiek en waardigheid in cultuur en politiek de plek kunnen innemen die ze toekomt.

Illustratie van Roos Speelman


Meer:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *