Door Wolter Hartog (Docent Sint Theresia College)

Ik heb die prijs ook helemaal niet nodig,” zo schreef Ilja Pfeijffer na het mislopen van wat zijn tweede Libris Literatuurprijs had kunnen zijn. Meende hij dat of meende hij dat niet? Het staat buiten kijf dat de bewering een kern van waarheid bevat.

En op het eerste gezicht lijkt ze te suggereren dat hij niet zoveel belang hechtte aan die prijs. Een goede verstaander zal echter begrijpen dat de uitspraak toch ironisch bedoeld is, wat erop wijst dat er voor de schrijver juist wel iets op het spel stond. 

Naar eigen zeggen is de auteur tijdens het schrijven van mening veranderd

Nu maakt Pfeijffer als literair auteur kans op een filosofische prijs: de Socratesbeker. En hij doet dat met een essay over – oh ironie – de ironie. Zou hij die prijs ook ‘niet nodig’ hebben?

Meningsverandering of ‘nieuw licht’?

Het betreffende essay is verschenen in de reeks Nieuw Licht, waarmee Frank Meester en Coen Simon de ‘vertwittering van het debat’ willen tegengaan. Zij hebben de “hooggeachte, welbelezen en eloquente heer Pfeijffer” gevraagd om aan de hand van Kierkegaards dissertatie, Over het begrip ironie, na te gaan of er in deze tijd nog plaats is voor een “juiste ironische houding”.

Aanvankelijk wilde Pfeijffer laten zien dat “ironie en satire nog steeds kritische wapens kunnen zijn tegen de ondraaglijke lichtheid van het debat”. Maar naar eigen zeggen is de auteur tijdens het schrijven van mening veranderd. Hij concludeert dat een overvloed aan ironie destructief is en dat de wereld op dit moment vooral nood heeft aan “een herontdekking van de ernst”.

Hoe sympathiek deze bekentenis ook mag zijn, het is maar de vraag of er goed en welbeschouwd wel sprake is van een meningsverandering. Het lijkt er eerder op dat er bij Pfeijffer een nieuw licht is opgegaan, wat eigenlijk nog beter is natuurlijk. Nog steeds stelt hij in het essay immers dat ironie als stijlmiddel een “machtig wapen” is.

Maar het inzicht dat hij mede dankzij Kierkegaard heeft opgedaan, is dat het stijlmiddel van de ironie onderscheiden moet worden van de ironische levenshouding, die hij “onedel, karakterloos en destructief” noemt. Het is dit onderscheid dat ervoor zorgt dat het uiteindelijke essay in twee delen uiteenvalt. 

Ironie als stijlmiddel

In de eerste vier hoofdstukken heeft Pfeijffer het voornamelijk over ironie als stijlmiddel. In dit gedeelte etaleert de auteur zijn belezenheid en eloquentie op royale wijze door met behulp van klassieke auteurs als Aristoteles, Theophrastus en Quintilianus de betekenis en werking van de ironie te achterhalen. 

Met behulp van enkele concrete en actuele voorbeelden, waarin het gebruik van ironie verkeerd begrepen wordt, illustreert Pfeijffer dat er in deze tijd sprake is van een “crisis van de ironie” (p. 43). De suggestie dat er daarom een ironieteken zou moeten worden geïntroduceerd, wijst hij echter om begrijpelijke redenen van de hand.

Vanaf het vijfde hoofdstuk wisselt Pfeijffer zijn geweer van schouder

Een ironieteken wil de ironie immers ontdoen van haar wezenlijke dubbelzinnigheid. Dit is in de eerste plaats onwenselijk, aangezien ironie als minimale voorwaarde de mogelijkheid veronderstelt om niet of verkeerd begrepen te worden. Maar in de tweede plaats wijst Pfeijffer er fijntjes op dat de poging ook ijdel is, want het gebruik van het ironieteken zelf zou op haar beurt natuurlijk ook weer ironisch bedoeld kunnen zijn.

Ironie als levenshouding

Vanaf het vijfde hoofdstuk wisselt Pfeijffer zijn geweer van schouder. Met behulp van Hegel en Kierkegaard maakt hij duidelijk dat ironie niet enkel een stijlmiddel is, maar ook een levenshouding kan worden. Dit is het geval wanneer iemand zich ironisch tot zijn of haar overtuigingen, waarden en idealen gaat verhouden.

Dat wil zeggen dat diegene er niet meer aan gehecht is; er niet meer echt in gelooft of zich ervoor engageert. Als uiting van een levenshouding is ironie een symptoom van het subjectivisme, relativisme en nihilisme waardoor de huidige tijdsgeest gekenmerkt wordt. 

Pfeijffer herkent de ironische levenshouding niet alleen in de eerder linkse beweging van het postmodernisme, waarvan de hipster wellicht de meest uitgesproken verpersoonlijking is. Hij herkent haar ook in de strategie waarmee er vanuit extreem-rechts of ‘alt-right’ dikwijls standpunten naar voren gebracht worden ter provocatie van de humorloze politieke correctheid van links. Wordt er vervolgens gevraagd naar verduidelijking van het standpunt, dan wordt er geantwoord dat men het niet zo serieus had moeten nemen en blijft het de vraag wat er dan wel gemeend aan was.

Een diagnose zonder remedie

De grote verdienste van Pfeijffers essay is dat het met behulp van Kierkegaards onderscheid tussen ironie als stijlmiddel en ironie als levenshouding een zeer actuele diagnose van de huidige tijdsgeest ontwikkelt. Hoewel de auteur het niet met zoveel woorden zegt, kan de ‘crisis van de ironie’ als stijlmiddel mede verklaard worden met behulp van zijn vaststelling dat de ironische levenshouding alomtegenwoordig is. 

Een minimale voorwaarde voor een geslaagd gebruik van ironie als stijlmiddel is immers dat er een onderscheid moet zijn tussen ernst en het tegenovergestelde daarvan: scherts, lichtheid of frivoliteit. Het is precies dit onderscheid dat verdwijnt als ironie een alomvattende levenshouding wordt.

Pfeijffer herkent de ironische levenshouding niet alleen in de eerder linkse beweging van het postmodernisme, waarvan de hipster wellicht de meest uitgesproken verpersoonlijking is.

Met zijn diagnose raakt Pfeijffer aan een kernprobleem van deze tijd. Hoe kunnen we ons hechten aan, of ons engageren voor overtuigingen, waarden en idealen, waarvan we niet meer kunnen geloven dat ze absoluut zijn, omdat we er tegelijkertijd de contingentie van doorzien? Of, om het met Kierkegaard te zeggen, waarvan we beseffen dat ze gestoeld zijn op een ‘objectieve onzekerheid’?

Pfeijffer biedt voor dit probleem echter geen remedie. Of beter gezegd: de remedie die hij in de epiloog suggereert, ‘een herontdekking van de ernst’, herhaalt slechts het probleem. 

Welke ernst?

Voor de jonge Kierkegaard bestond de ‘herontdekking van de ernst’ in het vinden van “een idee om voor te leven en te sterven.” Een idee dat hij uiteindelijk vond in de herontdekking van het christelijke geloof. Maar het probleem voor ons bestaat nu juist in de vraag welke ideeën, waarden en idealen wij, na de ‘dood van God’ en het ‘einde van de grote verhalen’, nog ernstig moeten of kunnen nemen.

En op basis waarvan? Zolang we dit probleem niet ernstig nemen, zal het debat mijns inziens niet van haar lichtheid bevrijd kunnen worden. 

Een minimale voorwaarde voor een geslaagd gebruik van ironie als stijlmiddel is dat er een onderscheid moet zijn tussen ernst en het tegenovergestelde daarvan

Als Pfeijffer in de epiloog enigszins dramatisch schrijft dat hij “wel eens iemand [zou] willen tegenkomen die meent wat hij zegt en die staat voor wat hij bedoelt” (p. 104), zal hij niet ver hoeven te zoeken. De vraag is of deze het soort ernst zal belichamen waar hij naar op zoek is.

Wil Pfeijffer het debat daadwerkelijk van haar ondraaglijke lichtheid ontdoen, dan zal hij dus moeten tonen waarover en op basis waarvan we weer ernstig kunnen of moeten worden.

Socratesbeker

Ondraaglijke Lichtheid is genomineerd voor de Socratesbeker, de prijs voor het beste Nederlandstalige filosofieboek van 2019. Alle twintig genomineerde boeken vind je hier.

Verder lezen

Søren Kierkegaard, Ironie (Amsterdam: Boom, 2011).

Cyril Lansink, Vrijheid en ironie. Kierkegaards ethiek van de zelfwording (Leuven: Peeters, 1997).


Meer:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *