Door Laura Keulartz (Research master student Radboud Universiteit)

Dit is een ode aan misschien wel het grootste idee van allemaal: God. In ieder geval als we Anselmus van Canterbury mogen geloven. In zijn ontologisch godsbewijs definieerde hij God als dat waarboven niets groters gedacht kan worden. Vervolgens leidde hij van deze definitie de noodzakelijkheid van het bestaan van God af.

Anselmus’ redenering gaat als volgt: Als God, gedefinieerd als het grootst denkbare, niet zou bestaan, dan zou er iets groters denkbaar zijn dan God – namelijk een God die niet alleen gedacht kan worden, maar ook echt bestaat. Volgens Anselmus is bestaan namelijk groter dan niet-bestaan. Dit zou echter absurd zijn, want niks kan groter zijn dan dat waarboven niks gedacht kan worden. Dus een wezen waarboven niks gedacht kan worden – God – moet bestaan.

Er is iets aan het argument dat oneindig fascineert: het is prachtig geformuleerd en het is moeilijk om er de vinger op te leggen wat er precies mis mee is. Volgens de onlangs overleden Roger Scruton is het zelfs het enige godsbewijs waarvan de geldigheid nog onbeslist is. De geldigheid van het argument is dan ook al eeuwen onderwerp van discussie, onder de meest gerenommeerde filosofen.

De bekendste reactie is misschien wel die van Immanuel Kant. Hij beargumenteerde dat ‘bestaan’ geen eigenschap van dingen is, maar de voorwaarde voor het hebben van eigenschappen. Maar lang daarvoor al wees Thomas van Aquino het Godsbewijs af op basis van het argument dat mensen Gods natuur niet kunnen kennen. David Hume beargumenteerde dat God niet a priori, dus niet zonder empirisch onderzoek, bewezen kan worden.

Ondanks het feit dat het argument al meer dan een millennium uitgebreid bekritiseerd is door de grootste filosofen uit de canon, duiken er ook steeds weer filosofen op die het argument verdedigen, zoals Alvin Plantinga en William Craig. Het feit dat een godsbewijs uit 1077 vandaag de dag nog onderwerp van levendige discussie is, getuigt er wat mij betreft van dat het een groots idee is. Ook als het volgens Arthur Schopenhauer niet meer dan een charmant grapje was.

Verder lezen

Anselm. Proslogion. With the Replies of Guanilo and Anselm. (2001) Translated by Thomas Williams.

A. Plantinga. The Ontological Argument. From St. Anselm to Contemporary Philosophers. (1968)

I. Logan. Reading Anselm’s Proslogion: The History of Anselm’s Argument and its Significance Today. (2009)


Meer:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *