Door Jan Vorstenbosch (Universitair docent Universiteit Utrecht)

Het jaar van het Voltooid Leven, zo omschreef dagblad Trouw – enigszins omineus – het jaar 2020. Twee jaar lang schoof het kabinet de initiatiefwet ‘Waardig Levenseinde’ van D66 van kamerlid Pia Dijkstra voor zich uit.

Haar wetsvoorstel, beter bekend als de voltooid-levenwet, houdt in dat mensen boven de 75 met een doodswens die niet is ingegeven door medische redenen, een beroep kunnen doen op levenseindebegeleiders om te worden geholpen bij zelfdoding. Het kabinet liet door een commissie onder leiding van UvH-docente Els van Wijngaarden een onderzoek doen naar de situatie en motieven van mensen met een doodswens. Het onderzoeksrapport verscheen op 31 januari.

De beslissing over eigen leven en dood is een belangrijk, misschien zelfs onbetwistbaar moreel recht van het individu. En dat recht krijgt voor ouderen in het zicht van een moeizaam en zwaar levenseinde alleen maar meer gewicht. Maar het is de vraag of de voorgestelde wet sociaal en ethisch gezien een goede manier is om dat recht waar te maken. Wetgeving kent namelijk haar eigen orde en eisen.

Een wet richt zich tot een rechtsgemeenschap van burgers, uitvoerders en rechters die er zich toe moeten verhouden. Dat veronderstelt helderheid, toetsbaarheid en handhaving van normen die grotendeels nog moeten worden gevonden door levenseindebegeleiders, ontwikkeld door juristen en getoetst door rechters.

Het recht op hulp bij zelfdoding is immers voorwaardelijk gemaakt. De criteria van uitzichtloosheid en ondraaglijk lijden uit de Euthanasiewet zijn dan wel niet langer relevant, het inwilligen van het verzoek is nog steeds aan drie voorwaarden gebonden: vrijwilligheid, weloverwogenheid en duurzaamheid. Die voorwaarden moeten op een betrouwbare, heldere en toetsbare wijze worden geoperationaliseerd, wil de rechtsgemeenschap er vrede mee kunnen hebben.

Dat wordt nog knap lastig.

Vrijwillig

De psychische en existentiële situatie waaruit de doodswens voortkomt, zorgt voor problemen met vrijwilligheid. De doodswens kan te maken hebben met een depressie of andere geriatrische problemen bij de persoon. Maar psychiaters hebben al aangegeven geen rol te willen spelen in het proces van beoordeling.

Het verzoek kan ook voortkomen uit subtiele druk vanuit de omgeving. Autonomie en identiteit van individuen zijn vaak verbonden met positieve familierelaties, maar niet altijd zijn die relaties positief, en vaak spelen andere moeilijk te doorgronden problemen een rol. De bemoeienis daarmee van levenseindebegeleiders lijkt te ver te gaan, als ze er al voor zijn toegerust. De hulp waar veel ouderen om zullen vragen, geldt de technische uitvoering van de levensbeëindiging, niet de kwaliteit van hun relaties.

Het verzoek kan ook voortomen uit subtiele druk vanuit de omgeving

Tot slot: de doodswens kan ook te maken hebben met onvrijwillige praktische, kwalitatieve en existentiële zorgen over leefsituaties die te verhelpen zijn. Maar de maatschappelijke omstandigheden van de ouderenzorg zijn lastig over de volle breedte zo te verbeteren dat ze worden weggenomen. Ze zijn ook moeilijk te verdisconteren in het gesprek met levenseindebegeleiders.

Weloverwogen

Een beheerste en beredeneerde uitleg waarom men dood wil, de tweede voorwaarde, zou veel van deze bezwaren in individuele gevallen kunnen opheffen. Maar wanneer is zo’n rechtvaardiging voldoende om te worden geholpen? Zal de ‘goedkeuring’ en interpretatie van de verwoording niet gevoelig zijn voor vooroordelen?

Als met het oog daarop normen worden vastgelegd en transparant gemaakt, kan dat ook een onwenselijk sociaal effect sorteren. Het kan een maatschappelijke situatie bevorderden waarin de staat de financiële en praktische zorgen waarmee ouderen naasten of de samenleving belasten, gaat erkennen als goede redenen om dood te willen. Die redenen gaan op voor veel meer ouderen dan zij die op grond ervan willen sterven.

Naarmate die redenen door maatschappelijke omstandigheden zoals een verslechterende economie en hogere publieke zorgkosten sterker worden, kan dit leiden tot een publiek debat dat de druk op ouderen verhoogt. Een wet maak je niet voor één jaar. Zelfs een probleem als klimaatverandering kan dan een macabere rol gaan spelen.

Men kan opperen dat het zo’n vaart niet zal lopen. Dat mensen tegen die druk bestand zijn, of moeten zijn. Maar dat is een wankele veronderstelling. Net zoals de opvatting dat de levenswil bij de meeste oudere mensen het toch wel zal winnen.

Duurzaam

Ook de voorwaarde van duurzaamheid van het verzoek roept vragen op. Deels hangen die samen met de vorige overwegingen die het verzoek instabiel kunnen maken, maar er kunnen nieuwe aan worden toegevoegd over de lengte, aard, kwaliteit en inzet van de relatie tussen cliënt en levenseindebegeleider.

Nu zou het wetsvoorstel nog te verdedigen zijn als er voor het uitoefenen van het morele recht om het leven te bekorten geen goede alternatieven waren voor de beoogde doelgroep van ouderen boven de 75 met een doodswens. Maar intensieve discussie heeft afgelopen jaren al veel van dergelijke alternatieven concreet en reëel gemaakt, zoals het weigeren van behandeling, versterven, begeleide zelf-euthanasie en een geleidelijke uitbreiding van de bestaande euthanasiewet via stapelproblematiek en uitzichtloosheid van geriatrische aard.

Op een paar punten biedt de Commissie van Wijngaarden belangrijke inzichten die nieuw licht werpen op deze argumenten. Zo betrok de Commissie bij het onderzoek ook de leeftijdsgroep tussen 55 en 75 jaar. Ten tijde van de onderzoeksopdracht werd door initiatiefneemster Pia Dijkstra nog getwijfeld of in de wet een leeftijdsgrens zou moeten worden opgenomen. Zo’n grens zou immers een zekere willekeur hebben en in strijd zijn met het recht op zelfbeschikking over levensbeëindiging. Uiteindelijk is die grens van 75 wél in het wetsvoorstel opgenomen.

De gegevens laten een opmerkelijk beeld zien. Ongeveer 0,18% van alle 55-plussers heeft een actieve doodswens, zonder dat zij ernstig ziek zijn. Dat zijn ongeveer 10.000 mensen. Van die 10.000 mensen vormt de leeftijdsgroep boven de 75 een minderheid (17%). De meerderheid (83%) is tussen de 55 en 75. Bovendien wil slechts een derde van beide groepen hulp bij de zelfdoding.

Dat brengt het aantal mensen dat bij de huidige wetgeving een beroep zou kunnen doen op de optie hulp bij zelfdoding van op om en nabij de 500. Dat lijkt te weinig om een complex traject in te gaan waarvan ik hierboven de voetangels en klemmen en de noodzaak heb besproken.

Van de mensen met een actieve doodswens vormt de leeftijdsgroep boven de 75 een minderheid

Bovendien: veel van de in totaal 10.000 mensen met een actieve doodswens melden geldproblemen, eenzaamheid en het gevoel anderen tot last te zijn. Bijna de helft (44%) is laagopgeleid en bij velen is de doodswens ambivalent en instabiel. Gegeven deze feiten lijkt de verwachting gerechtvaardigd dat de moeilijkheden met de toepassing van de criteria nog sterker zouden gelden voor mensen tussen de 55 en 75.

Er is dus geen overtuigende noodzaak voor een nieuwe wet gezien het geringe aantal als de leeftijdsgrens wordt gehandhaafd. Maar het laten vallen van de leeftijdsgrens is gezien de te verwachten problemen met de ontwikkeling en toepassing van publieke normen eveneens af te raden.  

Het wetsvoorstel, hoezeer ook ingegeven door integere, principiële en met de vergrijzing in toenemende mate belangrijke overwegingen, is niet alleen onaanvaardbaar voor principiële tegenstanders, maar de uitvoering ervan zou ook paternalistisch en vernederend kunnen uitpakken voor mensen die zelf willen beschikken over hun levenseinde. Het feit dat in het onderzoek van Van Wijngaarden twee derde van de mensen met een doodswens helemaal geen hulp wil, lijkt erop te duiden dat veel mensen in de doelgroep dit beseffen.

De invulling en uitwerking van de wet kan gemakkelijk tot ambivalentie, onduidelijkheid en ongewenste maatschappelijk effecten voor ouderen leiden. Daardoor zou de wet juist een duurzame bron van twist en onzekerheid kunnen blijven. De voltooid-levenwet zou een doos van Pandora kunnen blijken. Ze is ingegeven door de hoop ouderen te helpen met medisch-technische en sociale ondersteuning bij het levenseinde. Maar de wet zou in de praktijk wel eens, behalve tot onwenselijke neveneffecten in de maatschappij, tot extra wanhoop bij de verzoekers kunnen leiden.

Dit is een samenvattende en geüpdatete versie van een uitgebreidere beschouwing die eerder verscheen in de reeks Ethische Annotaties van het Ethiek Instituut van de Universiteit Utrecht.


Meer:

1 Comment

  1. Het blijft een akelige vaststelling dat er een maatschappelijke groep hardnekkig zich blijft inzetten om zich te blijven bemoeien in de euthanasie beslissing , meestal om godsdienstige redenen, zie de houding van de cd&v in België ! Het zal duidelijk wezen; een euthanasiebeslissing heeft duidelijk geen godsdienstige grond. Laat deze beslissing over aan het individu of moet de betrokkene dan maar zelfmoord plegen in horribele omstandigheden , met de kans onschuldige levens te veroorzaken ! vb door het organiseren van een verkeersongeluk enz.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *