Door Marc Colsen (Promovendus Radboud Universiteit)

Over goed en kwaad valt eindeloos te twisten. Dat gebeurt dan ook: op straat, langs het sportveld, in het café, in talkshows, op internet, in boeken. Vragen naar goed en kwaad zijn overal.

Moet ik deze bedelaar geld geven als ik vermoed dat hij het zal uitgeven aan drugs? Mag ik zomaar wat flirten met deze vrouw als ik weet dat mijn beste vriend verliefd op haar is? Moet de overheid hulp bij zelfdoding toestaan als iemand zegt dat haar leven voltooid is? Is het bezit van kernwapens aanvaardbaar? Wat is meer waard: carrière of gezin?

Ontelbare vragen naar goed en kwaad, met nog meer mogelijke antwoorden.

Zou het niet eenvoudiger kunnen? Zouden we niet kunnen snoeien in die wildgroei van vragen en antwoorden? Zou er niet ergens één grondslag zijn, één objectief fundament waarop we ons hele morele bouwwerk kunnen neerzetten? 

Stel dat we zo’n grondslag zouden vinden. Dan zouden we met die ene grondslag niet alleen alle vragen in een rangorde kunnen plaatsen, maar ook alle antwoorden erop kunnen afleiden. Dan zouden we in elk concreet geval automatisch weten wat het goede is. Twisten zou niet meer nodig zijn. Eenvoud en helderheid zouden in de plaats komen van veelheid en verwarring.

Zou er niet ergens één grondslag zijn, één objectief fundament waarop we ons hele morele bouwwerk kunnen neerzetten?

Al eeuwen spannen filosofen zich in om zo’n grondslag te vinden. En met succes: God, de rede, de wil, de emoties, de productieverhoudingen, de evolutie, het nut, het individu, de vrijheid, het vaderland, het brein… 

Duidelijke grondslagen die helaas één nadeel hebben: dat ze met zovele zijn. Met het beslechten van concrete morele twisten lijken we niet veel verder te komen zolang de twistende partijen zich kunnen beroepen op zoveel verschillende grondslagen.

Nietzsches wantrouwen

Hoe is die veelheid van grondslagen te verklaren? Friedrich Nietzsche heeft wel een vermoeden: hij wantrouwt de filosofen die ze naar voren brengen. Als filosofen een morele vraag beantwoorden, doen ze volgens Nietzsche net alsof ze eerst een objectieve grondslag aanwijzen, om pas daarna uit die grondslag het antwoord af te leiden. Maar eigenlijk zit het anders: ze geven eerst een instinctief antwoord op de vraag, om pas achteraf op zoek te gaan naar een rationele rechtvaardiging of grondslag voor dat antwoord. 

Hij noemt de filosofen ‘advocaten die niet zo willen heten’ en ‘listige pleitbezorgers van hun vooroordelen’. Ook verwijt hij hun slechts de heersende moraal te bepleiten, na deze eerst kritiekloos te hebben aanvaard. Wie met een geleerd gezicht een grondslag van de moraal verkondigt, schept daarmee volgens Nietzsche slechts een dekmantel voor zijn persoonlijke instincten of de heersende moraal.

Niet afdwingbaar

Stel nu dat Nietzsche gelijk heeft. Dan is er geen grondslag van de moraal, in de betekenis van één enkel fundament waarvan we de erkenning rationeel kunnen afdwingen. Dan kunnen we niet tegen elkaar zeggen: erken deze grondslag of je bent onredelijk. Bij het beantwoorden van morele vragen heeft het dan geen zin om zo’n grondslag aan te wijzen en daaruit het antwoord af te leiden. Of, wantrouwiger: het heeft geen zin om een morele vraag te beantwoorden en daar achteraf een schijnbaar objectieve grondslag onder te schuiven.

Zonder afdwingbare grondslag moeten we voor het beantwoorden van morele vragen meer middelen inzetten dan alleen onze rede die naar zekerheid zoekt. Eén van die middelen zou de kunst kunnen zijn. Ook in de kunst speelt waarheid een rol, inclusief waarheid die betrekking heeft op goed en kwaad. Maar het is een ander soort waarheid dan het soort waaraan wij gewend zijn geraakt onder invloed van de natuurwetenschappen. Het is waarheid die niet samenvalt met zekerheid. Ze laat zich niet rechtsreeks overdragen, maar vraagt om benadering via omwegen.

Dostojevski

Ik zou dit willen illustreren aan de hand van de Russische schrijver Fjodor Dostojevski. Er lijken twee Dostojevski’s te zijn: enerzijds Dostojevski de journalist, die artikelen publiceert in zijn tijdschrift Dagboek van een schrijver, anderzijds Dostojevski de romanschrijver, bekend van boeken als Misdaad en strafDe idioot, Duivels en De broers Karamazov.

Het gaat wel degelijk om één persoon, maar hij bedient zich van twee verschillende methodes om morele vragen aan de orde te stellen. 

Ook in de kunst speelt waarheid een rol, inclusief waarheid die betrekking heeft op goed en kwaad

Dostojevski de journalist schrijft artikelen waaruit een sterke slavofilie spreekt: een gehechtheid aan het christelijke Rusland en zijn slavische broedervolken. Keerzijde van die slavofilie is een afkeer van alles wat Westers, progressief en goddeloos is – drie woorden die voor hem hetzelfde betekenen. Zijn boodschap is duidelijk: er is maar één grondslag van de moraal: de Russische God. Naar die God moeten we terug, en daarmee automatisch ook naar de moraal. Probeer je die artikelen achter elkaar te lezen, dan kun je een flinke geeuw niet onderdrukken. 

Heel anders is dat bij Dostojevski de romanschrijver. In zijn late romans speelt de vraag naar het bestaan van God een centrale rol. Dat is opmerkelijk. Op grond van de artikelen zou je verwachten dat het bestaan van God voor hem geen vraag is, maar een gegeven. Voor Dostojevski de romanschrijver is God, in tegenstelling tot wat slordige lezers beweren, niet een gegeven. 

Zijn romans geven op de Godsvraag nooit een eenduidig, definitief antwoord en bieden ook verder geen enkelvoudige grondslag van de moraal. Vaak is opgemerkt dat Dostojevski juist radicale atheïsten en nihilisten zeer geloofwaardig oproept, ten minste zo geloofwaardig als de monniken, bisschoppen en heilige dwazen die zijn romans ook bevolken. Aan deze tegengestelde existentiële gedaantes kent hij gelijk gewicht toe, waarna hij ze op elkaar laat botsen. 

Zo word je als lezer een moreel probleem binnen gevoerd zonder eenduidige oplossing. Voor zo’n oplossing zou immers één grondslag nodig zijn, maar die ontbreekt. Je ontkomt niet aan zelf interpreteren, wat een sterker en blijvender effect heeft dan het consumeren van een kant-en-klare boodschap. Dostojevski’s artikelen, die vanuit één onbetwijfelde grondslag recht op hun morele doel afgaan, leggen we schouderophalend terzijde. Zijn romans, die langs omwegen voeren waarop geen grondslag onaangevochten blijft, slaan we steeds opnieuw weer open.

Verder lezen

Friedrich Nietzsche, Voorbij goed en kwaad. Voorspel tot een filosofie van de toekomst. Vertaald door Thomas Graftdijk. Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij De Arbeiderspers, 2011.

Fjodor Dostojevski, De broers Karamazov. Vertaald door Arthur Langeveld. Amsterdam: Uitgeverij G.A. Van Oorschot, 2009.

Fjodor Dostojevski, Duivels. Vertaald door Hans Boland. Amsterdam: Athenaeum – Polak & Van Gennep, 2008.

Fjodor Dostojevski, Verzamelde werken. Deel 10: Dagboek van een schrijver. Vertaald door Paul Rodenko. Amsterdam: Uitgeverij G.A. van Oorschot, 2001.


Meer:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *