Door Maarten van Doorn (Central European University)

Het tekort van het teveel is voor iedereen die dit interessante puzzels vindt:

  • De kwetsbaarheidsparadox: terwijl 89% procent van de Nederlanders verklaart gelukkig te zijn, rijst ons psychisch lijden de pan uit. Vier op de tien mensen hebben tijdens hun leven een psychische stoornis; één miljoen mensen ondergaan per jaar een behandeling voor psychische klachten.
  • De paradox van de geestelijke gezondheidszorg: investeringen in de geestelijke gezondheidszorg leiden niet tot een betere, maar tot een slechtere zorg. Het aantal professionals stijgt, maar de wachtlijsten en werkdruk stijgen nog meer. Er is meer te besteden dan ooit, maar de kwaliteit van de zorg neemt af. Bovendien krijgen steeds meer patiënten niet de behandeling die ze nodig hebben.

Bij elkaar genomen combineert Nederland een dure en inefficiënte zorg met een massa aan psychische klachten. Hoe kan dat?

Lijden en lijden

De meest voor de hand liggende verklaring: er is een groeiend aantal mensen met een psychische stoornis. Die aanwas zorgt voor capaciteitsproblemen. Vandaar de ellende.

Alleen: zo’n toename is er niet. Of tenminste, niet echt. Op elk moment heeft 7% van de Nederlandse bevolking professionele psychische zorg nodig. Dit cijfer is stabiel. Ook het aantal gevallen per jaar blijft onveranderd. In een periode van twaalf maanden lijdt 18% van de Nederlandse bevolking aan een psychische stoornis.

De psychiatrie draagt bij aan de epidemie van psychische klachten

Wat wel veranderd is, is dat meer mensen lijden aan niet-medische psychische klachten zoals eenzaamheid, stress en angst. En hoewel deze mensen geen stoornis hebben, doen ze wel een beroep op de geestelijke gezondheidszorg. Maar omdat ze niet ziek zijn – zulk lijden is een normaal aspect van het leven – horen ze daar niet. Vindt Denys.

Hier komen we al bij Denys’ verklaring voor de kwetsbaarheidsparadox: er zijn zoveel psychische klachten terwijl er ook zoveel mensen zeggen gelukkig te zijn doordat die klachten niet ernstig genoeg zijn om het geluksniveau dusdanig te beïnvloeden.

Geen PCR-test voor psychische stoornissen

Gelukkig, zou je denken, kunnen al die niet-zieken niet daadwerkelijk binnenkomen in de geestelijke gezondheidszorg? Daar is immers een doorverwijzing en een klinische diagnose voor nodig (plus geduld, want je staat wel even op de wachtlijst). Zonder stoornis krijg je die toch niet? Dus dit kan toch niet leiden tot die dure en inefficiënte zorg?

Dat ligt iets ingewikkelder. Vergelijk een depressie met corona. Een virus zit wel of niet in je lichaam. Daardoor is er een onderliggend verschil tussen mensen die “het hebben” en anderen die wat hoesten maar het virus toch niet in zich blijken dragen. Een test kan dit aantonen.

Bij psychische aandoeningen lijkt zo’n onderliggend verschil er niet te zijn, want – zegt Denys –voor geen enkele psychische stoornis is er een biologisch substraat gevonden. Je kan dus niet met een test ontdekken of iemands droevigheid en slapeloosheid komen doordat deze persoon een ziekte – depressie – onder de leden heeft.

Wie niet aan het criterium van een productief wezen voldoet, is abnormaal

Hoe wordt dan bepaald of zulke symptomen het gevolg zijn van een aandoening of toch binnen de normaliteit vallen – zoals je bij corona met een PCR-test een diagnose stelt? In de afwezigheid van een onderliggend verschil dat door een test of een psychiater ontdekt kan worden, zijn het vooral maatschappelijke oordelen over normaliteit die bepalen of een psychische toestand beschouwd wordt als normaal of als stoornis.

Vanuit het ideaalbeeld van de mens van het oude testament, bijvoorbeeld, beschouwde men het voelen van seksuele verlangens jegens mensen van hetzelfde geslacht als abnormaal. Tegenwoordig, schrijft Denys, meten we normaliteit af aan het ideaalbeeld van de mens als producerend product: “We dienen te produceren, we moeten iets voortbrengen, onszelf voortdurend door ons bestaan verwerkelijken, onze potentie actualiseren.”

Wie niet aan het criterium van een productief wezen voldoet, is abnormaal.

Maak me productief en gelukkig

Tikkeltje onhandig: dit mensbeeld legt de lat zó hoog dat de helft van de bevolking er niet aan voldoet: 42% procent van de Nederlanders lijden op een zeker moment in hun leven aan psychische klachten. Zijn al deze mensen niet normaal?

Dat slaat natuurlijk nergens op. Als er zoveel mensen niet normaal zijn, dan klopt er iets niet aan de definitie van normaliteit. Op dezelfde manier kan niet iedereen bovengemiddeld scoren. Dat betekent dat er iets mis is met je vaststelling van het gemiddelde, niet dat iedereen ongekend getalenteerd is. Zo zegt die 42% ook meer over onze kijk op ‘normaal’ dan over het aantal psychisch zieken.

In onze meritocratische samenleving is psychisch lijden enkel acceptabel als stoornis

Toch ligt hier wel de sleutel om te begrijpen waarom de toename in huis-tuin-en-keuken psychische klachten kan leiden tot een verhoogde druk op de professionele gezondheidszorg.

Want hoe komt het dat die criteria voor het hebben van een psychische stoornis zo zijn opgerekt dat nog maar de helft ‘normaal’ is? Daar hebben we zelf om gevraagd. Volgens Denys leven we in een meritocratische samenleving die elk psychisch lijden ziet als een individuele tekortkoming, enkel acceptabel als stoornis. Dus moet er een label voor komen. Zodat we ons lijden – en dus ons falen – kunnen afschuiven op onze ‘ziekte’.

Voorbeelden te over. We spreken van ‘minor neurocognitive disorder’ voor het menselijke cognitievefalen, over ‘disruptive mood dysregulation disorder’ voor stemmingsschommelingen, en ‘premenstrual dysphoric disorder’ voor het vrouwelijk ongemak. De dagelijkse angst is ‘subclinical anxiety’ en het normale verdriet een ‘subclinical depression’ geworden.

Zachte heelmeesters

Zo’n subklinische depressie heb je bijvoorbeeld als je wat depressieve klachten hebt maar niet aan de criteria voldoet voor depressie. Maar is het dan niet misleidend om te zeggen dat je wel depressie hebt, maar dan een milde versie ervan, in plaats van geen ziekte te diagnosticeren?

Er is namelijk een reden dat zulke personen niet aan de criteria van een stoornis voldoen: ze hebben er geen. Zulke psychische klachten zijn een normaal onderdeel van het bestaan, geen lichte variant van een abnormale conditie.

Alledaags psychisch lijden wordt gemedicaliseerd

“Subklinisch,” schrijft Denys, “betekent de afwezigheid van een stoornis en het gebrek aan lef van de behandelaar om de diagnose niet te stellen.”

Helaas ontbreekt dit lef vaak. Vandaar dat de toename in zorggebruik gepaard gaat met een gelijke prevalentie van echte stoornissen. Dit verklaart zowel de hogere kosten van de geestelijke gezondheidszorg als de langere wachtlijsten.

Zodoende hebben de investeringen in de geestelijke gezondheidszorg een averechts effect. In plaats van beter te zorgen voor mensen die het echt nodig hebben, wordt er meer alledaags psychisch lijden gemedicaliseerd. Denys is hard: “De psychiatrie draagt [bovenal] bij aan de epidemie [van psychische klachten] door haar onvermogen om grenzen te stellen aan onze mateloze vraag naar hulp voor psychisch lijden.”

Boeiend maar soms vaag

Denys betoogt krachtig dat de psychiatrie zich weer moet richten op echte stoornissen opdat ze die patiënten beter kan helpen en normaal psychisch lijden terugkeert in de normaliteit. Zodat het geaccepteerd wordt in plaats van gemedicaliseerd. Ik vind dit een steekhoudend argument.

Jammer dat Denys soms zijn best doet je hiervan af te leiden.

Bijvoorbeeld met overmatig literair schrijven, zoals het voorwoord over de ziel. Te veel argumenten lopen met een sisser af in nalatige vaagheid. Zo is de nuttige eindconclusie over psychisch lijden dat het “een mysterie” betreft. Rookgordijnen, zweverigheid en onnauwkeurigheid zijn niet op zijn plaats in een boek over serieuze problematiek.

Gelukkig draagt het boek daaronder een rake boodschap uit, die vooral interessant is voor mensen die willen weten waarom het verkeerd gaat in de geestelijke gezondheidszorg in Nederland.

Dit boek werd genomineerd voor de Socratesbeker van 2020. Deze prijs wordt ieder jaar uitgereikt aan de auteur van het meest urgente, oorspronkelijke en prikkelende Nederlandstalige filosofieboek. Benieuwd naar de andere genomineerden? Klik hier voor meer recensies.


Meer:

4 Comments

  1. Ik kan het alleen maar eens zijn met Denys.
    Zelf ben ik van mening dat de mens so wie so een psychiatrisch geval is, in tegenstelling tot alle andere dieren. Door een atypische ontsporing van onze hersenen. Dat is ook de reden van onze grote verworvenheden met destructieve gevolgen, onze massavernietiging, onze eigen nest- en leefomgeving bevuiling als enige diersoort, onze ziekmakende systemen en de daaruit voortvloeiende extreme compensatiedrang, en…onze psychiatrie als oplossing van onze uit de hand gelopen welvaarts- en welzijnsproblemen, zowel het absoluut te veel- als het relatief te weinig.
    Inderdaad: alles terug naar de basis.

Laat een antwoord achter aan Manon Kleijweg Antwoord annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *