Door Marsha Bruinen (student Filosofie aan de Universiteit van Amsterdam)

Opgepropt op de roltrap die naar het perron leidt, raakt mijn arm die van een vrouw die ik niet ken. Voor een paar seconden staan we schouder-aan-schouder, twee vreemden, in de avondspits naar elkaar toe gedreven. Dan verdwijnt ze uit zicht.

Op de hoogte blijven? Volg ons op Twitter, Facebook en Instagram.

De trein komt aan en groepjes reizigers ijsberen heen en weer, schatten in waar de deuren open zullen gaan. Ik voeg me bij een groepje, we stappen naar binnen. Naast elkaar, tussen elkaar, voor elkaar, achter elkaar. Het is druk in de trein. Er is geen zitplaats meer, dus ga ik in het smalle gangpad tussen de stoelen staan. Wanneer we bij het volgende station aankomen en het merendeel de trein wil verlaten, beweeg ik me wat onhandig uit de weg. Medepassagiers schuifelen langs me heen naar buiten.

Door de jaren heen ben ik langzaamaan gewend geraakt aan dit gevoel van vreemde lichamen die tegen je opbotsen. Ik heb het altijd als geruststellend ervaren; elke dag weer zouden die kortstondige aanrakingen zich voordoen, steeds met andere mensen, op weg naar andere bestemmingen. Toen de corona-epidemie uitbrak, viel die vanzelfsprekendheid ineens weg.

Geïsoleerd in mijn kamer dook ik in een boek dat de ervaring van treinreizen beschrijft, en haar in relatie brengt met vergelijkbare ervaringen. Wachten in de rij bij de kassa van de supermarkt, bijvoorbeeld, of proberen je weg te vinden op het vliegveld aan de hand van gele, glimmende borden. Supermarkten, vliegvelden, maar ook snelwegen en hotels noemt de Franse antropoloog Marc Augé ‘doorstroomplaatsen’ in zijn boek Non-Places: An Introduction to Supermodernity.

Ik ben langzaamaan gewend geraakt aan vreemde lichamen die tegen je opbotsen

Een treinstation of winkelcentrum definieert Augé als het tegenovergestelde van een ‘plaats’. Een plaats kenmerkt hij grotendeels aan de hand van de hechte en specifieke relaties tussen mensen die mogelijk gemaakt en in stand gehouden worden door zo’n plaats. Zo zou Augé de universiteit waar ik studeer als een ‘plaats’ definiëren omdat zij mij in staat stelt een rol aan te nemen als ‘student’ en me zo op een betekenisvolle manier te verhouden tot medestudenten, docenten en andere universiteitsmedewerkers. Het huis waarin ik ben opgegroeid plaatst me in weer een ander betekenisvol web van relaties: daar ben ik de dochter van mijn ouders, de zus van mijn zussen. Zulke interacties stabiliseren over tijd, en zorgen ervoor dat we kunnen aarden.

Vliegvelden of supermarkten staan zulke gestabiliseerde relaties niet toe; ze worden steeds slechts tijdelijk doorkruist, om iets te eten te kopen voor thuis, of om op het werk te geraken. ‘Niet-plaatsen’, noemt Augé ze daarom: kil, schoongepoetst en wereldwijd inwisselbaar. Het zijn ruimtes die geen betekenisvolle, maar enkel anonieme, gereguleerde en vluchtige interacties tot stand brengen.

Daar zijn die vluchtige interacties met treinvreemden die ik mis! Maar Augé’s beschrijving ervan belicht ze op een heel andere manier; als momenten waarop we vervreemd worden van de aandachtige manier waarop we thuis of op het werk omgaan met de mensen om ons heen. Schiet zijn typering tekort? Juist omdat ‘niet-plaatsen’ steeds vaker op ons pad komen, steeds gewoner aanvoelen, verdient zo’n afwijzing van het treinstation als ‘vervreemdend’ een nadere beschouwing.

Opgaan in de massa

Zo’n zes jaar geleden liep ik met mijn camera rond op het vliegveld van Schiphol. Ik was net begonnen aan een studie aan de kunstacademie en bezig met een project waarmee ik het verloop van tijd op een vliegveld wilde vastleggen. Ik had er al een paar avonden achter elkaar foto’s gemaakt, totdat ik opeens gestopt werd door een veiligheidsofficier.

Verschillende mensen hadden mijn gedrag die avond getypeerd als ‘verdacht’, vertelde hij, en hij vroeg me met hem mee te lopen naar achteren en de foto’s van mijn camera te wissen. Enigszins aangedaan legde ik uit dat ik bezig was met een project voor mijn studie. Na mijn collegekaart en het nummer van een docent te hebben overhandigd, mocht ik weer vertrekken zonder de geheugenkaart van mijn camera te wissen.

Als ik er nu op terugblik, vind ik mijn onthutste reactie destijds wel van enige naïviteit getuigen. Reizigers op vliegvelden staan op allerlei manieren onder controle en het was te verwachten dat ik, als iemand met camera in de hand maar zonder rugzak om mee te vertrekken en zonder bos bloemen om een geliefde mee te ontvangen, op zou vallen. Dat het enige tijd duurde voordat dit gebeurde, komt omdat ik relatief gemakkelijk in een passerende westerse massa op kan gaan. Niet iedereen is die luxe toebedeeld.

Verschillende mensen hadden mijn gedrag die avond getypeerd als ‘verdacht’

De anonimiserende werking van de ‘niet-plaats’ is niet universeel te duiden; ze is in sterke mate afhankelijk van de (wel of niet geprivilegieerde) positie die het passerende lichaam inneemt. In quarantaine in mijn huis – een ‘plaats’ bij uitstek – vroeg ik me af: is het vanwege de relatieve anonimiteit die ik in de trein ervaar dat ik een treinreis als geruststellend ervaar?

‘Iedereen is hier; niemand wil iets van me’, schrijft de Franse filosoof Roland Barthes ergens over een avond waarop hij langzaam in slaap dommelde aan de bar van een lege nachtclub, zich op zijn gemak voelend tussen de lichamen om hem heen. De anonimiteit van die lichamen om hem heen bevrijdt hem van elke vorm van verantwoordelijkheid, vertelt hij. Dat mensen zich in de ‘niet-plaats’ niet op vooraf afgesproken manieren tot elkaar verhouden, kunnen we met Barthes eerder als een bevrijding zien dan als een gemis.

Is dit ook de geruststelling die ik ervaar in de trein? Het gegeven dat ik verantwoordelijkheden en opgelegde rollen voor een groot deel kan laten varen? In de ‘niet-plaats’ verschijn ik als niets meer dan een vreemde. Afgezien van mijn ov-kaart die af en toe gecheckt wordt, met daarop een inmiddels vervaagde foto van mijn gezicht, is er weinig dat me in een bepaalde rol duwt en dat van me verlangt dat ik vanuit die rol een betekenisvolle relatie aanga.

Toch ervaar ik de momenten die ik beschreef niet als momenten waarop ik een verduisterend scherm tussen mijzelf en de mensen om me heen kan plaatsen, om me zo te onttrekken aan de vraag naar betekenisvolle interactie. Ze voelen juist als momenten waarop die schermen wegvallen, tussen mij en steeds weer andere lichamen, op weg naar steeds weer andere bestemmingen.

Dus hoe kan ik die momenten van treinintimiteit analyseren? Waar doet die vreemde aanraking tijdens de ochtendspits een beroep op? Hoe te kijken naar diegene die zich toevalligerwijs voor een paar seconden of uren naast mij bevindt?

Samen-zijn

Tot nu toe besprak ik de betekenisvolheid van een plaats op basis van Augé in termen van de specifieke relaties die er wel of niet ontstaan. Mijn mede-zijn werd steeds verschillend gedefinieerd; ik was met-medestudenten, met-familieleden of met-collega’s. In de trein was ik met-vreemden.

De recentelijk overleden Jean-Luc Nancy vraagt ons hier anders tegenaan te kijken. Of we nu op de universiteit, thuis, op kantoor of in de trein zijn, we zijn volgens de Franse filosoof altijd met-.

Wie of wat er achter het streepje staat, doet er niet toe. Het is niet de specifieke manier waarop mensen zich tot elkaar verhouden die betekenisvol is, maar het gegeven dat zij zich steeds opnieuw en steeds weer anders tot elkaar verhouden. We kunnen onszelf niet denken zonder onszelf te denken als lichamen die posities innemen, stelt Nancy, posities in het alsmaar veranderende web van de wereld. Dat web bestaat overigens niet slechts uit mensen, maar ook uit niet-menselijke dieren en dingen.

Ons zijn is onlosmakelijk een mede-zijn

Sinds we in de wereld geworpen zijn, verschijnen we aan anderen en worden we op onze beurt blootgesteld aan hun verschijnen. Dit steeds maar weer tegelijkertijd tegenover en naast elkaar verschijnen vormt de ‘fundering’ van de wereld ­– een fundering tussen aanhalingstekens, want ze staat op losse schroeven. Hoe het web van mede-zijn in elkaar steekt verandert elk ogenblik, maar dat het gesponnen wordt staat vast.

Ons zijn is volgens Nancy dus onlosmakelijk een mede-zijn; het veronderstelt altijd al en steeds opnieuw een meervoudigheid. Augé is ook op zoek naar betekenisvolle vormen van samenzijn. Maar waar hij die zoekt in verschillende vormen van vertrouwde, lokale gemeenschappen, moeten we Nancy’s meervoudigheid anders zien. Het gemeenschappelijke van ons mede-zijn heeft voor Nancy geen gemeenschappelijk raamwerk of kader nodig om begrepen te worden. We zijn dichtbij elkaar, zonder dat die nabijheid gevangen hoeft te worden in termen van een gedeelde identiteit.

De vastgeklonken vormen van samen-zijn waar Augé aan vasthoudt, doen zich ineens voor als een soort ruis; ze bemoeilijken het zicht op de meer fundamentele manier waarop we mede-zijn. Zijn ‘niet-plaatsen’ niet juist bij uitstek de ruimtes waar die mist tijdelijk optrekt, en ons mede-zijn aan de oppervlakte verschijnt?

Ergens refereert Nancy kort aan het ambigue ‘groeps’-gevoel dat je in een trein kan ervaren. Ik schrijf deze tekst terwijl ik me in dat spanningsveld bevind. Even voel ik me verbonden, inderdaad op een intieme manier, met degene die tegenover me zit. Maar wanneer zij bij het volgende station ineens opstaat en de trein verlaat, doet zij zich door het viezige raam ineens voor als een vreemde.

De medereiziger is diegene die zich altijd tussen die twee polen begeeft, en daarmee ons ‘naakte’, nog niet als ‘intiem’ of ‘vreemd’ ingekleurde samen-zijn bevestigt. Tijdens de lockdown raakte deze willekeurige maar fundamentele vorm van mede-zijn uit het zicht: we voegden ons in vertrouwde cirkels van vrienden en familie, schoven aan tafels waarin onze identiteit al diep gekerfd stond.

Wat doet het met ons als de aanraking met- verdwijnt, risicovol wordt? Degene naast je in de trein, de persoon vóór je in de rij bij de supermarkt en de automobilist die je haastig voorbijrijdt; tot allen staan we in een relatie-zonder-relatie, zoals Nancy dat zo treffend verwoordt.

Opgepropt op de roltrap bevestigde ik mijn aanwezigheid in de wereld als te allen tijde een mede-aanwezigheid. Is dat wat maakt dat de medereiziger me zo raakt, wanneer ze me aanraakt en verdwijnt?

Vond je dit een goed artikel? Bij Nader Inzien zet zich in voor de verspreiding van serieuze filosofische kennis en analyse. We kunnen het platform draaiende houden dankzij de inzet van vrijwillige auteurs en redacteuren en de steun van lezers zoals jij. Word daarom vriend van BNI of steun ons met een donatie.

Meer:

Volg ons op

TwitterInstagramFacebook

Op de hoogte blijven per mail?

Steun ons

Doneer Word vriend

1 Comment

  1. Deze belevingen zijn van een/de mens in het nu, in een overvolle, moderne, door technologie en efficiency, verstedelijkte gedreven wereld. Deze wereld bestaat nog maar kort, in vergelijking met de periode van de mens op aarde. En zal zijn extreem vervolg hebben in de toekomst.
    Het is kennelijk het zonder slag of stoot aanvaarde lot van de moderne mens, om te verkeren in vele, recente ” niet-plaatsen”. Maar of het ons gewenst lot is, is de vraag. Ik mis de hang en noodzaak van “wel-plaatsen”, zoals oneindig veel plaatsen, zoals in de natuur, ons werk, ons dorp, onze buurt, ons stukje land, onze tuin, ons huis.
    Het feit dat onze op geld gerichte systeemwereld ons dwingt richting anonieme niet-plaatsen, wil nog niet zeggen dat dit onze bestemming is. Sterker: het wordt onze ondergang.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *