Door Bij Nader Inzien (redactie)

Wat voor taak hebben filosofen in het publieke debat? Paul van Tongeren suggereerde in zijn eerste essay als de nieuwe Denker des Vaderlands dat de filosoof ons niet zo zeer dient te vertellen ‘wat zou moeten zijn’, maar eerder moet reflecteren op ‘wat is’. Onze redacteur Josette Daemen betoogde op haar beurt dat filosofen juist de weg moeten durven wijzen naar een betere wereld. Ze zetten de discussie voort tijdens de presentatie van Paul van Tongerens nieuwe boek Doodgewone vrienden, op 20 mei bij SPUI25 in Amsterdam.

Benieuwd? Het startschot van Josette is hieronder te lezen. Het hele gesprek, geleid door Lieke Knijnenburg, is terug te zien op YouTube (vanaf 34:20).

Op de hoogte blijven? Volg ons op Twitter, Facebook en Instagram.

“We hebben het vanavond gehad over het prachtige boek dat u heeft geschreven, over doodgewone vrienden. Van Katrien Schaubroeck hebben we een mooi verhaal gehoord over vrouwenvriendschap. Maar we moeten het ook hebben over de bijzondere relatie die u onlangs bent aangegaan met heel wat meer personen dan uw gebruikelijke vriendenkring, met zeventien miljoen mensen, met het land als geheel, namelijk in uw rol als Denker des Vaderlands. In die hoedanigheid zouden we u de komende twee jaar misschien wel kunnen beschouwen als een soort vriend van het Nederlandse publiek. Maar wat betekent dat? Wat kan Nederland verwachten van zijn publieke vriend?

Een terugkerend thema in uw boek is dat van welwillendheid: in een vriendschapsrelatie wil de één het goede voor de ander. Nu lijkt het mij ook logisch om aan te nemen dat u als Denker des Vaderlands het goede wil voor het Nederlandse publiek. De vraag waar ik het vanavond met u over wil hebben is: hoe gaat u als Denker gestalte gaat geven aan die welwillendheid? Wat betekent het voor u om het goede te willen voor het vaderland?

U heeft daar duidelijk wel ideeën over. In uw eerste essay als nieuwe Denker des Vaderlands, toen nog anoniem, leverde u in de Volkskrant kritiek op een van uw voorgangers, Marli Huijer, die afgelopen jaar naar voren trad als een uitgesproken criticaster van de Nederlandse corona-aanpak. U schreef dat de filosoof juist een stap terug moet doen, afstand moet nemen.

Ik citeer: “Zo houdt de filosoof de eigen tijd een spiegel voor, die ons dwingt kritisch naar onszelf te kijken en die ook laat zien wat we liever niet zien of wat we niet opmerken als we alleen maar naar buiten, naar de anderen kijken. In de manier waarop Marli Huijer die opdracht van de filosofie nu in verband met de coronamaatregelen uitvoert, komt de filosofische afstand in de knel door activistisch engagement.” En: “Door concrete maatregelen te bepleiten en verdedigen tegen de kritiek, legde zij de spiegel terzijde”.

Eenzelfde idee vinden we ook in uw boek, waarin u de filosoof vooral neerzet als iemand die ‘wat-is-vragen’ moet stellen, niet als iemand die het antwoord moet geven ‘hoe-het-zou-moeten-zijn’. Maar hoe verhoudt die filosofische taakopvatting zich tot uw rol als publieke vriend? Als u het goede wil voor het Nederlandse volk, betekent dit dan niet ook dat u de mensen moet terugfluiten als ze in uw ogen het verkeerde pad in slaan, of dat u ze de weg wijst die volgens u naar het goede leidt? U schrijft het zelf, in uw hoofdstuk over Nietzsche: “Een echte vriend is zijn vriend het meest nabij wanneer hij tegen hem in gaat”; hij is “niet alleen een bevestigende, maar ook een confronterende spiegel; hij is degene die je waar nodig corrigeert.”

Het beeld van deze kritische vriend, die niet alleen reflecteert maar ook corrigeert, lijkt ook goed te passen bij dat wat Nederland verlangt van de Denker des Vaderlands. Als die wordt uitgenodigd voor een interview in de krant of aan tafel bij Buitenhof, dan willen we doorgaans niet alleen samen een stap terug doen om te beschouwen wat er allemaal aan de hand is in de wereld, maar zijn we juist vaak op zoek naar goede raad in tijden van wanhoop en crisis en miserie – we klampen de Denker aan en vragen: wat moeten we in godsnaam doen?

Misschien speelt er op dit punt ook wel ook een klein generatieconflict binnen de gemeenschap van denkers, met kleine of hoofletter D. Ik merk dat de opvatting dat de filosoof maatschappelijke ontwikkelingen en vraagstukken vooral van een afstand moet bezien voor veel jongere filosofen onbevredigend is. Omdat ze van mening zijn dat het loskoppelen van jezelf en de thema’s die je beziet helemaal niet mogelijk is, laat staan dat het wenselijk zou zijn om dat te proberen. Omdat ze de oproep om ‘niet te activistisch te zijn’ ervaren als een poging van de gevestigde orde om de status quo te verdedigen. Of omdat ze denken dat we op dit moment zo veel wanhoop en crisis en miserie ervaren in de wereld, en de ontwikkelingen zo ontzettend snel gaan – of het nou gaat om corona of klimaat of technologie of machtsconcentratie – dat filosofen het zich simpelweg niet kunnen permitteren om stil te blijven over ‘hoe-het-zou-moeten-zijn’.

Mijn vraag is dus: gaat u het ons alstublieft vertellen? Als vriend die het beste wil voor ons, het Nederlandse publiek? Ik denk dat we het nodig hebben.”

Vond je dit een goed artikel? Bij Nader Inzien zet zich in voor de verspreiding van serieuze filosofische kennis en analyse. We kunnen het platform draaiende houden dankzij de inzet van vrijwillige auteurs en redacteuren en de steun van lezers zoals jij. Word daarom vriend van BNI of steun ons met een donatie.

Meer:

1 Comment

  1. Prima reactie Josette. Je had alleen ook nog even de poten onder zijn stoel kunnen wegzagen door te wijzen op de onmogelijkheid onafhankelijk of objectief te zeggen ‘wat is’.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *