Door Marcel Verweij (Hoogleraar Wageningen University)

Door Roland Pierik (Universitair hoofddocent Universiteit van Amsterdam)

Op het moment dat de corona-epidemie in ziekenhuizen in het zuiden van Nederland al tot bijna onhoudbare situaties ging leiden, deden wij in een opiniestuk in de Volkskrant een voorstel hoe intensive-care bedden met beademingsapparatuur moet worden verdeeld in het geval van extreme schaarste. Uit reacties bleek dat nogal wat mensen dat voorstel bedreigend en misplaatst vinden. We beargumenteren in dit stuk waarom maatschappelijke discussie en vooral politieke besluitvorming noodzakelijk zijn.

Maar als je het leven dreigt te verliezen dan is een jongere persoon slechter af dan een oudere, omdat de eerste nog veel minder leven heeft kunnen genieten

In het artikel stelden we voor om bij triage op de intensive care twee normatieve uitgangspunten te hanteren. Ten eerste, gebruik de apparatuur zo efficiënt mogelijk. In tijden van extreme schaarste treedt een andere logica in. De besluitvorming verschuift van een louter patiëntgerichte logica – hoe kan deze patiënt zo goed mogelijk worden geholpen – naar een meer bevolkingsgerichte – hoe kunnen de beschikbare middelen zo worden ingezet dat zoveel mogelijk levens worden gered? In de praktijk betekent dit dat die patiënten geselecteerd worden van wie ingeschat wordt dat ze eerder herstellen dan andere. En boven een bepaalde leeftijd neemt die kans, gemiddeld gezien, enorm af. 

Ten tweede, verdeel de zorg rechtvaardig. In de zin van Aristoteles: behandel gelijke gevallen gelijk, en ongelijken ongelijk naar mate van ongelijkheid. Dat kan op verschillende manieren worden ingevuld. Bijvoorbeeld: iedereen een gelijke kans geven; voorrang geven aan wie dat het meest heeft verdiend; of prioriteit geven aan mensen die het slechtste af zijn. Wij onderschrijven die laatste invulling. Niet door de meest zieke patiënt voorrang te geven. Want wat betreft zorgbehoefte zijn alle patiënten voor wie beademing noodzakelijk is gelijk: zonder beademing is de kans heel groot dat ze overlijden. Maar als je het leven dreigt te verliezen dan is een jongere persoon slechter af dan een oudere, omdat de eerste nog veel minder leven heeft kunnen genieten. Dat is een reden om prioriteit te geven aan relatief jongere patiënten. 

Deze algemene uitgangspunten zijn allerminst omstreden. Maar ook de implicaties voor triage worden in de literatuur door velen omarmd. Ze zijn min of meer in lijn met een recent draaiboek van de Nederlandse Vereniging voor Intensive Care (NVIC). Ook zijn ze vanuit verschillende ethische theorieën goed te rechtvaardigen, zoals dit recente artikel van Olivia Goldhill laat zien.

Toch heeft het opiniestuk veel boze reacties opgeroepen. Sommigen vonden dat we hun leven of dat van hun ouders als minderwaardig beschouwden.  Ook was er verontwaardiging dat we dit onderwerp überhaupt aankaartten en dat we opriepen tot maatschappelijk debat. Zo’n discussie is bedreigend voor kwetsbare groepen en het loopt intensivecare-artsen voor de voeten. Het zou beter zijn om deze medische beslissingen aan de artsen over te laten. 

Fleur Jongepier vraagt zich daarnaast af of zo’n rationele, onpartijdige argumentatie voor een tragische morele keuze niet “one thought too many” is. Ze refereert hierbij aan een beroemd argument van de Engelse filosoof Bernard Williams. 

Voor ons als ethici is de vraag wiens leven gered moet worden natuurlijk een interessant dilemma dat we in onderwijs en in artikelen vaak bespreken. Het thema biedt stof om ethische theorieën toe te passen en te testen. In de huidige realiteit is het echter een heel pijnlijk en bedreigend onderwerp. Moet dat niet, juist nu, een beetje taboe blijven, en kunnen we er niet gewoon op vertrouwen dat intensivisten verstandige medische keuzen maken? 

Wij zien twee belangrijke redenen waarom dit dilemma niet louter bij intensive care professionals kan blijven liggen, en dat enige vorm van maatschappelijke discussie, maar vooral politieke besluitvorming nodig is.

Het eerste argument draait om solidariteit met intensivisten. Continue triage op de IC is niet alleen een tragisch of duivels dilemma. Het is een bijna ondraaglijke verantwoordelijkheid om keuzen te moeten maken wie wel, en wie niet een kans op overleving geboden wordt. Solidariteit houdt in dat we de lasten van de crisis zoveel mogelijk gezamenlijk dragen. 

Als intensivecare-artsen weten dat de keuzen die zij maken passen binnen een kader waarvoor de maatschappij als geheel verantwoordelijkheid neemt, dan haalt dat een deel van de last van verantwoordelijkheid van hun schouders; die delen wij dan als maatschappij. Zij dragen dan alleen verantwoordelijkheid voor het deel waarvoor zij het beste zijn toegerust en dat is al zwaar genoeg: de medische inschatting en besluitvorming.

Het is een bijna ondraaglijke verantwoordelijkheid om keuzen te moeten maken wie wel, en wie niet een kans op overleving geboden wordt

Hier kan tegenin worden gebracht dat een maatschappelijk debat hierover bedreigend is voor de meest kwetsbaren in de maatschappij. Het virus is juist voor hen gevaarlijk en nu krijgen ze ook nog te horen dat ze misschien een kleinere kans hebben op intensive care. Moet die kwetsbaren niet juist centraal staan in een solidaire samenleving?  

Natuurlijk, hun angst en zorgen kunnen we niet wegnemen, en daarom zijn de maatregelen die tot nu toe zijn genomen zo belangrijk, zoals het sluiten van scholen en horeca en andere vormen van ‘social distancing’. Deze maatregelen zijn bij uitstek bedoeld om ouderen en andere kwetsbaren te beschermen en om overbelasting van het zorgsysteem zoveel mogelijk uit te stellen. In deze context zou je het argument ook kunnen omdraaien: juist nu al deze discussie over triage aan te gaan draagt bij aan de bescherming van kwetsbare medeburgers. Immers, deze discussie maakt confronterend duidelijk wat de consequenties zijn als we ons als bevolking onvoldoende aan de voorschiften houden over social distancing en thuisblijven. 

Het tweede argument voor maatschappelijke verantwoordelijkheid is er een van democratische legitimiteit. De keuze wat voor uitgangspunten of criteria bij selectie gehanteerd worden – om voorrang te geven aan patiënten die een betere overlevingskans hebben, of juist aan jongere mensen; om te loten, of gewoon, als gebruikelijk ‘wie het eerst komt, het eerst maalt’ – dat is een beslissing over hoe wij als maatschappij deze crisis te lijf gaan, en hoe we daarin moeten omgaan met schaarste. Wie zouden we moeten redden als niet iedereen gered kan worden? Dat is een vraagstuk dat het puur medische domein ver overstijgt. Het normatieve kader waarbinnen artsen op de intensive care hun medische inschattingen en medisch-ethische afwegingen maken, is bij uitstek een zaak voor democratische besluitvorming.

Het is daarom noodzakelijk, vanuit solidariteit en democratische legitimiteit, dat dit kader maatschappelijk wordt onderschreven. Het minimum zou zijn dat de minister van Volksgezondheid het huidige draaiboek van de Nederlandse Vereniging voor Intensive Care expliciet ondersteunt, en dat dat besluit ook door het parlement wordt aanvaard. Dit draaiboek neemt het redden van zoveel mogelijk levens als uitgangspunt – dus een efficiënt gebruik van schaarse middelen. 

Het normatieve kader waarbinnen artsen op de intensive care hun medische inschattingen en medisch-ethische afwegingen maken, is bij uitstek een zaak voor democratische besluitvorming.

Daarnaast zou de overheid het idee van rechtvaardigheid nog beter kunnen expliciteren, bijvoorbeeld door te stellen dat leeftijd ook vanuit dat oogpunt relevant is. Of door een keuze te maken tussen loting of ‘wie het eerste komt’ als procedure voor het geval dat andere overwegingen geen uitsluitsel meer bieden voor selectie. 

In de praktijk zal dit, vermoeden we, nauwelijks tot andere keuzen leiden dan die de intensivisten nu al zelf maken. Maar de verantwoordelijkheid voor tragische keuzen wordt dan wel maatschappelijk gedragen en rust niet alleen op de schouders van een beroepsgroep die toch al een enorm zware taak heeft.


Meer:

20 Comments

  1. Ik ben het in grote lijnen eens met de inhoud van dit artikel.
    Er is een punt dat ik mis: een oudere, zeg iemand van boven de 70, heeft niet alleen betekenis voor zichzelf maar ook voor anderen. het gaat dus niet alleen om het feit dat die oudere minder te verwachten levensjaren heeft.
    Heel concreet: ik (73) krijg een huilende kleinzoon aan de lijn die mij mist. Als ik dood ben zal hij nog meer missen.
    Je maakt besliscriteria daardoor nog veel moeilijker, dat realiseer ik me wel. Maar alleen op leeftijd beslissen is wel een heel erg individueel kijken. Mensen leven in een samenleving.
    Wat dit precies zou moeten betekenen voor criteria weet ik ook niet direct.

  2. Ik ben het ermee eens dat dit iets is waar we nu als samenleving over na moeten denken. IC-artsen zijn getraind in het maken van individuele hartverscheurende afwegingen, maar hebben in de regel gelukkig geen ervaring met het moeten kiezen tussen patiënten. Daar ligt dus een lacune die op de beste manier moet worden ingevuld, en ik ben het ermee eens dat het het beste is om ze die verantwoordelijkheid niet alleen te laten dragen.

    Volgens mij ontkom je er alleen niet aan om te zeggen dat (de voortgang van) het ene leven meer waarde heeft dan het ander. Dat doe je al door jonge mensen voorrang te geven op oude. Het afwegingskader moet niet onwerkbaar complex worden, maar dit lijkt me dan weer erg simplistisch. Ik als depressieve maar erg fitte dertiger geef mijn plekje graag af aan een vijftiger met drie pubers. Is dat op populatieniveau in te regelen?

  3. ik denk dat de reactie hierboven hout snijdt. Het voorstel van Verweij en Pierik, een soort van utilistisch gemotiveerde ‘ survival of the fittest’ , gaat primair uit van abstracte individuele levenstijd (niet wie het eerst komt krijgt voorrang, maar wie het laatst geboren wordt). Dit soort redeneringen staan haaks op het solidariteitsidee dat ten grondslag ligt aan ons collectieve verzekeringsstelsel en aan het huidige nood-beleid van ‘curve afplatten’ t.b.v. de bescherming van de kwetsbaren (dus ook juist de ouderen).

    1. Een reactie op de laatste zin. De maatregel “flatten the curve” wordt niet gemaakt uit solidariteit naar ouderen an sich, maar op het principe dat ouderen door het corona virus kwetsbaarder zijn ivm jongeren en sneller IC-behoeftig worden.

  4. Ik bedoelde in mijn reactie te verwijzen naar de uitspraak “Maar alleen op leeftijd beslissen is wel een heel erg individueel kijken” van Truus Pinkster.

  5. Ik denk dat jullie hier goed werk doen. Ik zou alleen voorzichtig zijn met de suggesties dat de arts zich het beste tot medische afwegingen en handelingen kan beperken. De arts is een moreel wezen (ethische afweging) en burger (democratische legitimiteit). De rol van de filosoof en ethicus is, in dit geval, samen met heel veel anderen, zoals juristen, artsen, bestuurswetenschappers, om bij te dragen aan een kader voor het medisch handelen. Maar de ethische verantwoordelijkheid en internalisatie van het kader moet mijns inziens toch echt bij de arts blijven liggen. Ethiek is niet van de ethicus, maar van de handelende mens — in dit geval de arts in een medisch zorgteam.

    1. Helemaal mee eens Bert, de stelling dat artsen medische oordelen vellen hadden we niet bedoeld als waardevrije of ethisch neutrale oordelen, integendeel. Maar zo komt het wel makkelijk over. Zoals jij het formuleert: “de ethische verantwoordelijkheid en internalisatie van het kader moet mijns inziens toch echt bij de arts blijven liggen”, dat is helder en terecht.

  6. Ik denk dat het delen van verantwoordelijkheid en daarmee ontlasten van de professional op de IC ernstig wordt overschat. Het kan ook zo zijn dat het zelfs tegenwerkt in specifieke situaties. Wat mij betreft valt hiermee de centrale argumentatie weg.

  7. Bij sommige indianenstammen waren (en zijn nog) ouderen van groot belang binnen de sociale entiteit van stam en familie. Echter, zodra de oudere niet meer mee kon migreren naar andere gebieden dan was het de gewoonte en geaccepteert om deze oudere achter te laten omdat hij of zij letterlijk een blok aan het been geworden was en zo het bestaansrecht van de groep in gevaar bracht. Dat wist de oudere, dat wist de familie en was alom geaccepteerd.

    Het lijkt niet menselijk om dit te doen, maar vanuit de overweging dat vanuit levenskwaliteit en de samenleving als geheel is het aetikel hierboven gestoeld.

    Juist de overwegingen van mensen die zeggen dat hun ouders dan als minderwaardig worden gezien zijn egocentrisch en niet gericht op de samenleving als geheel.

    Dat wil ook aan de andere kant zeggen dat we verplicht zijn ouderen en kwersbaren de maximale mogelijkheid geven om zich binnen decsamenleving nuttig te maken…en daar kunnen we in de huidige maatschappij met haar pensioen, de ouderen in bejaardenhuizen (excusez le mot) en het aan de zijlijn plaatsen van mensen met afstand tot de arbeidsmarkt niet 1 boom naar een heel bos over opzetten…

  8. Mooie toelichting op het stuk in De Volkskrant. Dat we maatschappelijke verantwoordelijkheid moeten nemen voor de triage procedures lijkt me een belangrijke reden om dit debat nu te voeren. Ik vraag me af of we ook maatschappelijke verantwoordelijkheid kunnen nemen door te besluiten vast te houden aan het ‘wie eerst komt, wie eerst maalt’ principe. Dat lijkt me rechtvaardiger.
    Zoals de reacties hierboven duidelijk maken valt niet eenduidig en objectief te bepalen of een ouder mens inderdaad slechter af is dan een jonger mens. De waarde van een individueel leven hangt zowel van de waardering van diegene zelf af (zie Anna Baas) als van de sociale relaties (Leon Pijnenburg, Truus Pinkster) en is daarmee inherent subjectief. Met zulke individuele verschillen rekening houden in noodsituaties is ondoenlijk. Je kunt dan kiezen voor het hanteren van algemene vuistregels over wat slechter af zijn betekent (i.c. dat je meer levenstijd verliest), maar dat lijkt me bij zo’n wezenlijk zaak als leven en sterven problematisch.
    Het argument van Verweij en Pierik doet ook denken aan het zogenaamde ‘fair innings’ argument. Dat stelt kort gezegd dat ieder mens recht heeft op een minimum aantal levensjaren, en dat bij schaarste medische prioriteit moet worden gegeven aan jongere patiënten. Dit (rechtvaardigheids)argument roept de vraag op of we wel moeten willen spreken van een recht op een een aantal levensjaren. Levenstijd als zodanig kun je niet verdelen, noch garanderen.
    Door te blijven bij beleid ‘Wie eerst kom, wie eerst maalt’ laten we in feite de natuurlijke loterij beslissen. Dat klinkt als het afschuiven van verantwoordelijkheid, maar zoals Verweij en Pierik al eerder zeiden: ook dit is een keuze. Een keuze waar m.i. veel voor valt te zeggen daar het ieder mensenleven ongeacht leeftijd als gelijkwaardig veronderstelt, en dat accepteert dat er geen perfecte criteria zijn om in noodsituaties toe te passen.
    Komt dit neer op Williams ‘one thought too many’ argument?
    ‘One thought too less’ in deze hele discussie – tot sot – is hoe we de behandeling van Corona-patiënten moeten wegen tegen de uitstel van behandeling van vele niet-Corona patiënten. Dat vraagt wellicht een eigenstandige blog.

    1. Ik vind dit toch een gek argument. Natuurlijk zou een perfecte afweging van morele belangen meer informatie verlangen dan waar een dokter toegang toe heeft – zoals subjectieve waarderingen, hoe groot iemands sociale kring is, in welke mate iemand een gelukkig leven heeft geleefd. Deze informatie is niet beschikbaar, en een perfecte afweging is daarom niet te maken. Maar ik snap niet waarom je daarom ervoor zou kiezen om relevante informatie die wel beschikbaar is – leeftijd, aanwezigheid van andere klachten – niet mee zou tellen. Het is toch beter om deels geinformeerde keuzes te maken, dan compleet willekeurig?

      We weten dat als we op een “first come, first served” basis keuzes zouden maken er mee mensen overlijden, en hier meer jonge mensen bij zullen zitten, dan als we selecteren op leeftijd. Het “first come, first served” principe is bovendien gebaseerd op een arbitrair criterium – wanneer ben je besmet geraakt. Het is inderdaad een mogelijke keuze om voor dit principe te gaan, maar waarom zou het omarmen van deze willekeur wenselijk zijn, vooral als het er voor zorgt dat er mee mensen zullen sterven?

      Als dokters het “first come, first served” principe zouden implementeren zullen af en toe jonge mensen overlijden die toch niet lang en gelukkig zouden leven, en ouderen die dat nog wel zouden doen. Maar dat dit af en toe zou kunnen gebeuren is toch geen reden om dan maar op willekeurige wijze patienten te redden?

      1. Dank voor je reactie Willem. Mijn pleidooi voor de willekeur van het ‘first come, first served’ principe boven een systematisch voorrang geven aan jong en vitaal deed ik in de veronderstelling dat artsen medische afwegingen nu al maken op basis van wat jij noemt ‘relevante’ beschikbare informatie (leeftijd, andere aandoeningen). D.w.z. relevant in het licht van een effectieve behandeling. ‘Wie eerst komt, eerst maalt’ zag ik daarbij als van toepassing op keuzes die niet op basis van medische overwegingen kunnen worden gemaakt.
        Maar ik realiseer me nu dat je medische afwegingen natuurlijk altijd verweven zijn met ‘ethische’ afwegingen: wat geldt immers als effectief?
        Neemt niet weg dat ik ‘first come first served’ een goed uitgangspunt vind dat kijkt naar wie het eerst medische hulp nodig heeft. Dat ik dit zeg in weerwil van het feit dat dat tot meer doden zal leiden heeft wellicht van doen met mijn in anti-utilistische (en anti-‘luck egalitaristische’) inborst.

        Overigens wordt er al een en ander ondernomen in de hierboven besproken richting, maar – niet onbelangrijk – dan wel in gesprek met potentiële patiënten : https://nos.nl/nieuwsuur/artikel/2328280-leidraad-voor-doodzieke-ouderen-met-corona-wel-of-niet-naar-het-ziekenhuis.html

  9. Ik ben het volledig eens met de noodzaak van gesprek over keuzes maken. Niet alleen vanuit de medici, maar ook vanuit de patiënten. Het is in mijn optiek nauw verbonden met gesprek over de houdbaarheid van ons huidige zorgstelsel, onze relatie tot de dood en euthanasie.

    Zo heb ik een wilsbeschikking geschreven over welke behandeling ik wel en niet wens te ondergaan mocht ik ernstig ziek worden door SARS-CoV2. Daar hebben mijn kinderen om gevraagd, omdat ik daar voor mijzelf nogal radicale ideeën bij heb. Nu is het de vraag of de keten van mensen in de zorg dat willen inwilligen.

  10. Om mijn eerste reactie iets verder aanscherpen, het volgende: Het toepassings-gebied van de voorstellen van Verweij en Pierik zouden we op twee manieren kunnen begrijpen. Het zijn voorstellen die concrete praktijken proberen te rege-len, als een soort van besluitvormingsprocedure voor noodsituaties. Of het zijn voorstellen om een nationaal beleid te rechtvaardigen. Ik heb de voorstellen vooral op deze tweede, politieke manier geïnterpreteerd en daarom ook gecontrasteerd met de solidariteitsgedachte die nog steeds de grondslag vormt voor ons ziektekostenstelsel, ons uitkeringsstelsel en ook, contra Bas Hermans, het coronabeleid waarmee we een immuniteit onder de bevolking willen opbouwen die de kwetsbaren hopelijk beschermt. In politieke zin wijs ik de voorstellen dan ook af omdat nationaal beleid het resultaat moet zijn van democratische besluitvorming waar de verschillende betroffen groepen woord van spreken hebben en het dus uitmondt in een compromis (dat democratisch tot stand komt). Als de bevolkingssamenstelling voldoende houvast biedt, zou mijn persoonlijke voorstel in dit politieke debat zijn dat met dit compromis de schaarse middelen naar rato verdeeld worden over het ‘oudere’ (meer kwetsbare) en het ‘jongere’ (relatief veiligere) deel van de bevolking; en dit, om het hanteerbaar te maken, eventueel aangevuld met bijvoorbeeld een beleid dat een bepaald aantal IC-afdelingen reserveert voor een specifieke doelgroep als die kwetsbaren. (Als ik t.b.v. deze gedachten uitga van een groepsverdeling over 0-20 jr, 21-60 jr en 61jr en ouder, dan betekent dit, in dezelfde volgorde, voor 2019: 3,8 – 10 – 3,5 miljoen mensen. De eerste groep (‘kinderen’) schijnt zich niets van het virus aan te trekken. Dit leidt ertoe dat ‘naar rato’ verdelen hier neerkomt op de verhouding 10:3.5. Of: de nationale verdeling van middelen en menskracht zou dan ongeveer voor 74% uitgaan naar de leeftijdsgroep 21-60jr en 26% naar de groep 61 jr en ouder.)
    In vele concrete IC-situaties zal elk algemeen nationale beleid evenwel te weinig handvaten bieden om keuzes in concrete situaties te maken. Algemene regels worden opgesteld om in een democratische samenleving recht te doen aan alle betrokkenen die daarom ook zelf bij het opstellen van die regels betrokken moeten zijn. (Dit is m.i. het voordeel van mijn interpretatie die geen beroep hoeft te doen op een ‘abstracte individuele levenstijd’). Dergelijke algemene regels doen echter geen recht aan alle (onvoorspelbare) concrete situaties. Hier zou ik, met Beatrijs Haverkamp, een lans willen breken voor het ‘eerst komt, eerst maalt’-principe voor IC-locaties (die niet voor een specifieke doelgroep gereserveerd zijn); indien nodig aangevuld met terugkerende evaluatiemomenten om de instroom te monitoren zodat, in lijn met nationaal beleid, op langere termijn corrigerende maatregelen genomen kunnen kan worden.

    Dit alles sluit natuurlijk niet de mogelijkheid uit van het ‘vrijwillige offer’, dat nooit vereist mag worden.’Lieutenant governor Dan Patrick’ (69 jaar) stelde de vraag: “As a senior citizen, are you willing to take a chance on your survival in exchange for keeping the America that all America loves for your children and grandchildren? … if that’s the exchange, I’m all in.” Als 60-jarige, die half of helemaal in de kaste van de ‘kwetsbaren’ valt en tevens vader van een 5 jarige tweeling is, valt mijn antwoord anders uit.

    Een woord ook nog over het ‘gegeven feit van de schaarste’. Op zijn minst sinds Marx weten we dat maatschappelijke schaarste niet een natuurlijk verschijnsel is, maar, modern uitgedrukt, sociaal geconstrueerd. Wanneer Trump gebruik gaat maken van een wet uit de 50-er jaren, waarmee hij de macht heeft om in te grijpen in het productie- en exportbeleid van Amerikaanse bedrijven, kan het zomaar gebeuren dat Philips geen beademingsapparatuur vanuit de V.S. naar Nederland kan exporteren. In Nederland kan het dan nodig blijken om elders te zoeken. Zo zien we dat schaarste geen abstract iets is, maar zich altijd concreet voordoet. Zoals ook de (creatieve) oplossingen. Dat men nu apparatuur om-bouwt zodat niet een, maar twee patiënten tegelijk bediend kunnen worden, is een voorbeeld. We zien ook dat hotelkamers omgebouwd worden zodat patiën-ten daar terecht kunnen. Ik beschouw dit laatste als ook een uitdrukking van de solidariteit, die ik ook bij mij in de straat tegenkom wanneer de buren op elkaar letten en indien nodig boodschappen voor elkaar doen.
    Samengevat: een politieke oplossing die vertrekt vanuit de aannames van het abstracte individu, abstract levenstijd en abstracte schaarste, met of zonder een sluier van onwetendheid, is onwenselijk. Exit: utilisme en contract-theorie. Het leidt naar een ‘tirannie van het overlevingsimperatief’. Beter is een deliberatieve aanpak die vragen als ‘wat is er schaars’ , ‘om wie gaat’ en ‘wat is voor zo’n groep rechtvaardig’ tot onderwerp van het maatschappelijk-politieke debat maakt en in de uitvoering en toepassing pragmatisch roeit met de bekende aan-wezige riemen die tijdens de vaart gerepareerd en (creatief) vernieuwd of vervangen kunnen worden.

    pssss: ik zie in het voorstel van Verweij en Pierik nog wel een mogelijk pikant voordeeltje. Toegepast op de gender-verdeling kan het, eindelijk (!), een keertje leiden tot een voorrang van vrouwen omdat zij, naar het schijnt, minder last hebben van het virus en als groep dus meer voordeel hebben van behandeling. Natuurlijk moeten ze dan wel nóg meer voor de kinderen zorgen …..

    1. Ik zag trouwens op de webpagina van de politieke partij 50+ dat in de tweede kamer al een keer gesproken werd over het cruciale issue: ‘ Na het debat over het coronavirus zijn twee moties van 50PLUS met algemene stemmen aangenomen: het voorstel van Henk Krol om ook thuiszorgmedewerkers en wijkverpleegkundigen te voorzien van beschermingsmiddelen, en de motie om géén leeftijdsgrenzen te hanteren voor intensive care-afdelingen’.

Laat een reactie achter op Beatrijs Haverkamp Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *