Door Lennart Ackermans (Promovendus Erasmus Universiteit)

Eens in de zoveel tijd ligt de politiek overhoop over een verondersteld kwaad, bijtend aan de fundamenten van haar geloofwaardigheid; de doodzonde die geen enkele dienaar van de staat behoort te verrichten: hypocrisie. Deze week is minister Ferdinand Grapperhaus aan de beurt, die een heel Tweede Kamerdebat aan zich gewijd kreeg – of beter gezegd, aan zijn huwelijk, waar hij tot minstens tweemaal toe zijn eigen coronaregels overtrad, en zijn gasten een veelvoud daarvan. 

Maar wat is er eigenlijk mis met hypocrisie? Het fenomeen is bekend uit het gezegde “de pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet.” Maar zoals Daniela Dover zich afvraagt: waarom is de zwartheid van de pot een belemmering om de zwartheid van de ketel op te merken? De pot is ervaringsdeskundige op het gebied van zwart zien. Bovendien kan de pot beter zien dat de ketel zwart ziet dan hijzelf. Misschien is de ketel wel gebaat bij die observatie, en het zou zonde zijn als de pot zich zou inhouden uit angst voor ‘hypocrisie’. 

Waarom is de zwartheid van de pot een belemmering om de zwartheid van de ketel op te merken?

Ik vroeg verschillende vrienden en filosofen wat ze verkeerd vonden aan hypocrisie, en daaruit bleek één ding duidelijk: de meningen over wat hypocrisie is en waarom het slecht is lopen sterk uiteen. Ik zal hier eerst die vragen behandelen – wat hypocrisie is en wat er slecht aan is – en vervolgens mijn duit in het zakje doen: we moeten ons in het politieke debat minder druk maken om hypocrisie. 

Wat is er mis met hypocrisie? 

Hypocrisie, volgens de meeste mensen, kan worden samengevat als “het een zeggen maar het andere doen.” Het gaat meestal om het uitdragen van een bepaalde morele opvatting, waarbij mensen die daar niet aan voldoen worden bekritiseerd – terwijl de hypocriet zich zelf niet aan die opvatting houdt. Oftewel, hypocrisie bestaat uit: 

(A) Iemand, X, draagt uit dat A doen slecht is; 
(B) doet zelf wél A. 

Deze ruime definitie van hypocrisie heeft een probleem: er zijn makkelijk voorbeelden van te bedenken waar niet veel mis mee lijkt te zijn. Bijvoorbeeld: stel dat iemand tegen het nuttigen van alcohol is, maar ook gevoelig is voor sociale druk. Deze persoon drinkt bijna nooit, maar eens in de zoveel tijd wordt de druk haar te veel en drinkt ze een paar glazen op één avond. De volgende dag heeft ze spijt. 

Er is wel wat te bedenken dat afkeurenswaardig is aan deze alcoholdrinker. Ten eerste: áls alcohol drinken inderdaad slecht is, begaat zij een slechte daad die ze had kunnen voorkomen. Ten tweede: door wilszwakte slaagt ze er in deze situatie niet in te leven volgens haar eigen standaarden, wat je een mislukken van zelfverwezenlijking zou kunnen noemen. Beide ‘slechte’ eigenschappen vangen alleen niet echt de slechtheid die we normaliter aan hypocrisie toekennen. 

Uit het bovenstaande voorbeeld zou je kunnen concluderen dat er iets ontbreekt aan de definitie van hypocrisie die ik hierboven gegeven heb. De echte, slechte hypocrisie moet meer bevatten dan alleen (A) en (B). Bijvoorbeeld (C): 

(C) vindt dat zijzelf gevrijwaard is van de regel om niet A te doen. 

We kunnen spreken van dubbelestandaardhypocrisie in het geval dat zowel (A), (B) als (C) van toepassing zijn. De alcoholdrinker zou bijvoorbeeld dubbele standaarden hanteren als ze zichzelf níet zou verwijten af en toe te drinken, terwijl ze dat anderen wel verwijt. Zo’n beschuldiging van dubbele standaarden werd ook richting Grapperhaus geuit. Mensen die zich niet aan de coronamaatregelen hielden noemde hij ‘asociaal’, maar blijkbaar – zo beweren zijn aanklagers – vindt hij het niet asociaal als hij zich er zelf niet aan houdt. 

Liegt Grapperhaus als hij zegt anderen asociaal te vinden?

Vaak is er echter geen sprake van (C). Volgens Christopher Bartel kan hypocrisie ook slecht zijn omdat het bedrieglijke hypocrisie is, hypocrisie met toevoeging van (D): 

(D) X vindt niet écht dat A slecht is. 

Een bedrieglijke hypocriet draagt uit dat zij het slecht vindt om A te doen (bijvoorbeeld om in een beter daglicht te staan of om mensen te manipuleren), maar vindt dat niet écht. Ook deze vorm van hypocrisie kan op Grapperhaus van toepassing zijn: het is (wellicht) niet geloofwaardig dat Grapperhaus mensen die zich niet aan de maatregelen houden asociaal vindt, als hij zich zelf niet aan de maatregelen houdt. Oftewel, Grapperhaus liegt als hij zegt anderen asociaal te vinden. 

Het gevaar van hypocrisiebeschuldigingen 

Er bestaan nog andere argumenten voor de slechtheid van hypocrisie, maar in mijn ervaring noemen mensen meestal ofwel dubbelestandaardhypocrisie of bedrieglijke hypocrisie als reden dat hypocrisie slecht is. Dat is opmerkelijk, want dat betekent dat wanneer hypocrisie slecht is, het niet slecht is omdat het hypocrisie is, maar omdat de hypocriet dubbele standaarden hanteert of bedriegt. Het woord hypocrisie zelf heeft dan nog maar weinig morele betekenis. 

In de meeste gevallen is er niets mis met hypocrisie

Sterker nog, het betekent dat er in de meeste gevallen niks mis is met hypocrisie. Hoewel er ongetwijfeld mensen zijn die daadwerkelijk schaamteloos dubbele standaarden hanteren of bedriegen, zijn er talloze andere motivaties en verklaringen van hypocriet gedrag die niet even afkeurenswaardig zijn.

In het geval van Grapperhaus is een plausibele verklaring van zijn hypocrisie dat het hem, door zijn menselijkheid, simpelweg niet is gelukt zich op zijn bruiloft aan de coronaregels te houden. Waarschijnlijk is Grapperhaus geen bedrieger en hanteert hij geen dubbele standaarden. (Dat betekent overigens niet dat Grapperhaus er vlekkeloos vanaf komt. Zijn gedrag kan om verschillende andere redenen nog steeds slecht zijn.) 

Als ik gelijk heb, is een constatering van alleen hypocrisie niet genoeg om het hypocriete gedrag moreel af te keuren. Maar dat is wel vaak het doel van hypocrisiebeschuldigingen, ook als bewijs voor een slechte variant van hypocrisie afwezig is. Ik vermoed dat in veel gevallen van hypocrisiebeschuldigingen de suggestie is dat de hypocriete daad van een morele slechtheid is vergelijkbaar met dubbelestandaardhypocrisie of bedrieglijke hypocrisie, terwijl er feitelijk alleen sprake is van een niet of nauwelijks slechte, ‘normale’ hypocrisie.  

Het risico op onterechte beschuldigingen van moreel falen is nog niet eens ons grootste probleem. Zorgelijker is dat een klimaat waarin hypocrisiebeschuldigingen veelvuldig gemaakt worden ongunstige gevolgen heeft, met name in de politiek. 

Ten eerste creëert het verwachtingen waaraan politici – immers ook gewoon mensen – zich niet kunnen houden. (Zelfs redacteuren van Bij Nader Inzien maken zich schuldig aan hypocrisie). Het betekent dat politici, om in een goed daglicht te blijven staan, een façade moeten optrekken waarachter ze al hun morele misstappen verhullen. Politici afrekenen op hypocrisie zal niet tot minder hypocriete politici leiden, maar wel tot meer bedrieglijke politici. 

Fixatie op persoonlijkheidskenmerken van politici leidt af van waar werkelijk om gaat

Ten tweede draagt het bij aan de verwording van de democratie tot een persoonlijkheidscompetitie in plaats van een politieke arena waarin belangenafwegingen en beleid centraal staan. Er is geen reden om aan te nemen dat hypocriete politici niet goed in staat zijn om hun werk te doen. Maar een overmatige fixatie op goede en slechte persoonlijkheidskenmerken van politici leidt af van waar het in de politiek daadwerkelijk om gaat. Persoonlijke imperfecties zoals hypocrisie zijn te onbelangrijk om dat risico te lopen. 

Helaas heeft het geloof dat hypocrisie altijd slecht is zich vastgenesteld in de samenleving en wordt het nauwelijks bekritiseerd. Niet iedereen zal overtuigd zijn van mijn betoog, maar ook van degenen die het met mij oneens zijn hoop ik dat ze bij de volgende hypocrisiebeschuldiging zichzelf de vraag stellen: wat is hier precies slecht aan? 

Verder lezen

Bartel, C. (2019). Hypocrisy as Either Deception or Akrasia. The Philosophical Forum, 50: 269-281. 

Dover, D. (2019). The walk and the talk. Philosophical Review, 128(4), 387-422. 


Meer:

3 Comments

  1. Dit artikel geeft een interpretatie van het debat met Grapperhuis.
    Mijn interpretatie is dat hier sprake is van een zgn. jij-bak, oftewel: tu quoque.
    De link zegt hierover o.a:
    “Tu quoque (Latijn voor “jij ook” of “jij net zogoed”), of jij-bak[1] is een logische drogreden van het type “two wrongs make a right”, waarmee gepoogd wordt de opponent in diskrediet te brengen door erop te wijzen dat hij niet consequent naar zijn eigen standpunt handelt en dat de kritiek die hij uit ook op hemzelf van toepassing is.”
    Mijn interpretatie van het debat met Grapperhaus is, dat het de politieke partijen vooral gaat om het eigen electorale voordeel, en niet zozeer om de persoonlijke fouten van Grapperhaus. Dus politieke hyprocrisie in de vorm van een tu-quoque.
    Immers zij geven zelf ook toe dat zij het ook moelijk vinden om zich aan de corona regels te houden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *