Door Kristien Hens (Tenure track docent Universiteit Antwerpen)

Stel je bent een chirurg op de spoedeisende hulp. Je houdt het belang van geïnformeerde toestemming hoog in het vaandel. Op een avond komt er een comateuze patiënt binnen die in levensgevaar is en dringend geopereerd moet worden. Waarschijnlijk zal je beslissen je patiënt te opereren zonder dat deze toestemming heeft gegeven.

Als docent toegepaste ethiek (media ethiek en bio-ethiek) in niet-filosofische richtingen bespreek ik met mijn studenten een aantal morele theorieën (deontologische ethiek, utilitarisme, deugdethiek, zorgethiek…). Ik leg ze vervolgens uit dat het niet de bedoeling is dat ze zich bekeren tot één theorie en van daaruit alle ethische vraagstukken uit hun discipline moeten gaan proberen te beantwoorden.

In de toegepaste ethiek maken we bovendien vaak gebruik van principes die van toepassing zijn op een specifieke situatie. Denk aan de vier principes meest geciteerde principes van de bio-ethiek: autonomie, beneficence (‘het goede doen’), maleficence (‘niet schaden’) en rechtvaardigheid. De relevante principes hanteren hangt dan af van de specifieke situatie (wetenschappelijke achtergrond, belanghebbenden…) van een ethische vraag. Deze principes zijn immers niet absoluut, onze chirurg in het bovenvernoemde voorbeeld houdt niet krampachtig vast aan het belang van autonomie van de patiënt.

Ik wil deze kleine ode dan ook opdragen aan het idee van de prima facie plichten van W.D. Ross (1877-1971): Ross legde een aantal plichten vast die op het eerste gezicht geldig zijn, maar die je, als je geconfronteerd wordt met specifieke ethische dilemma’s, moet gaan afwegen tegen elkaar. Het is volgens Ross immers onmogelijk om theorieën en principes te bedenken die altijd en overal absoluut gelden, daarvoor zijn dilemma’s vaak te complex en te afhankelijk van specifieke situaties. Je moet dan intuïtief aanvoelen welke plicht de voorrang heeft in een gegeven situatie. Hijzelf legde zeven zulke plichten vast: trouw, herstel, dankbaarheid, niet-schaden, het goede doen, zelfverbetering en rechtvaardigheid.

Denk bijvoorbeeld aan het dilemma van de journalist die een belofte heeft gemaakt om een bepaalde bron anoniem te houden, maar naderhand beseft dat zij daardoor misschien belangen van anderen schaadt. Wat Ross heel goed heeft begrepen is dat specifieke dilemma’s vaak rommelig en complex zijn, met verschillende belanghebbenden, en dat ‘aan ethiek doen’ meer moet zijn dan het berekenen van het juiste antwoord op basis van formules vastgelegd in abstracte theorieën.

Dit is een aflevering uit de rubriek ‘Een Kleine Ode Aan een Groots Idee’. In ongeveer 300 woorden looft een Nederlandse of Vlaamse auteur een al dan niet vergeten filosofisch pareltje.

Verder lezen

W.D. Ross. The Right and the Good (1930)

Tom L. Beauchamp & James F. Childress. Principles of Biomedical Ethics (1979)


Meer:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *