Door Jack Vromen (Hoogleraar Erasmus Universiteit Rotterdam)

De uitstoot van schadelijke stoffen door een bedrijf dwingt naburige boeren het drinkwater voor hun vee te zuiveren en levert zo een extra kostenpost voor ze op. Stel de boeren kunnen deze schade niet op het bedrijf verhalen. 

Dit is een schoolvoorbeeld van wat economen externaliteiten noemen: er zijn welvaartseffecten voor derden, negatief in dit geval, waar niemand voor betaalt. Traditioneel wordt binnen de economie het optreden van externaliteiten gezien als marktfalen: het vrije spel van marktpartijen leidt niet tot een sociaal optimum.

Het vrije spel van marktpartijen leidt niet altijd tot een sociaal optimum

Dat komt doordat de private kosten en baten van de marktpartijen die in de marktprijs zijn weerspiegeld slechts een deel uitmaken van de totale sociale kosten en baten. De kosten voor de boeren zijn immers niet in de marktprijs meegenomen. 

Een oplossing is dat de overheid de uitstoot van schadelijke stoffen gaat belasten. Dit is een oplossing die veel economen aanspreekt. Denk bijvoorbeeld aan de vrijwel unanieme steun die economen geven aan een CO2-belasting om de klimaatverandering af te remmen. Door zo’n belasting zullen bedrijven minder COuitstoten. Dat wordt immers duurder. Bedrijven zullen bovendien worden aangespoord om te zoeken naar minder vervuilende productiemethoden.

Het probleem van afgunst en sympathie

Niemand zal ontkennen dat het oplopen van financiële schade een negatief welvaartseffect voor de getroffenen is. Maar is het oplopen van een gezondheidsrisico dat ook? Stel de uitstoot van schadelijke stoffen levert de boeren geen extra kostenpost op, maar is wel slecht voor de gezondheid van vee en de boerenfamilies zelf. De boeren weten dit en voelen zich hierdoor gedupeerd. Gaat de welvaart van de boeren er dan op achteruit? 

Stel dat de boeren een hekel hebben aan de eigenaar van het bedrijf en hem misgunnen dat de vervuiling hem niets kost

Of stel dat de boeren geen financiële schade en gezondheidsschade oplopen, maar zich toch bijvoorbeeld om esthetische redenen storen aan de uitstoot. Ze vinden de schoorsteen van de fabriek lelijk.

Of stel dat dat allemaal niet aan de orde is, maar dat de boeren een hekel hebben aan de eigenaar van het bedrijf en het de eigenaar misgunnen dat de vervuiling hem niets kost. Kunnen we in de laatste gevallen ook spreken van negatieve welvaartseffecten voor de boeren, welvaartseffecten die idealiter wel in de prijzen zouden moeten worden meegenomen?

Strikt genomen zouden volgens de gangbare definitie van welvaart die economen huldigen al deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. In al deze gevallen verkiezen de boeren een situatie waarin het naburige bedrijf niet kosteloos vervuilt boven de bestaande situatie waarin dat wel gebeurt.

En omdat economen iemands welvaart afmeten aan de mate waarin haar voorkeuren zijn bevredigd (zij hangen de zogenaamde subjectieve voorkeursbevredigingstheorie van welvaart aan), is in alle gevallen voor de getroffenen sprake van welvaartsverlies. 

Vrees voor normatieve uitspraken 

Toch deinzen economen ervoor terug om deze conclusie in alle gevallen te trekken. Lijden mensen echt welvaartsverlies louter en alleen omdat de aanblik van een vervuilende fabriek hen niet bevalt? Kunnen zij hieraan aanspraak op compensatie ontlenen? En is het wel een goed idee om de allocatie van middelen af te laten hangen van of mensen elkaar iets gunnen of misgunnen?

Als we gevoelens van afgunst en sympathie mee laten wegen in de bepaling van welvaartseffecten, wordt aan de belangen van mensen die veel vrienden hebben een groter gewicht toegekend dan aan de belangen van mensen met veel vijanden. Willen we dat? Economen laten het doorgaans bij de constatering dat dit soort vragen kunnen worden gesteld. Ze gaan verder niet op de vragen in, laat staan dat ze er duidelijke antwoorden op geven.

Economen laten het doorgaans bij de constatering dat dit soort vragen kunnen worden gesteld.

Dat is voor een deel begrijpelijk. Economen zijn pragmatisch en houden alles het liefst zo eenvoudig mogelijk. De aanname dat iemands welvaart kan worden afgemeten aan de mate waarin haar voorkeuren zijn bevredigd maakt het hen mogelijk hun normatieve welvaartseconomie naadloos aan te sluiten op hun positieve microtheorie. Dat economen hun vingers niet willen branden aan het innemen van omstreden normatieve standpunten is ook begrijpelijk.

Hun discipline ligt ook zonder het innemen van dergelijke standpunten al genoeg onder vuur. Bovendien vinden zij dat zij zelf niet over de benodigde expertise beschikken om over normatieve kwesties te beslissen. Het liefst richten zij zich op onomstreden gevallen van welvaartseffecten waarvan iedereen vindt dat ze gecompenseerd moeten worden en laten ze zien hoe die het beste geanalyseerd en gecompenseerd kunnen worden.

De onontkoombaarheid van normatieve uitspraken

Hoe begrijpelijk dit allemaal ook is, toch ontkomen economen er niet helemaal aan standpunten in te nemen die normatief-beladen en controversieel zijn. De aanname dat iemands welvaart kan worden afgemeten aan de mate waarin haar voorkeuren zijn bevredigd is daar een voorbeeld van.

Neem het geval dat de uitstoot van schadelijke stoffen weliswaar geen financiële schade, maar wel gezondheidsschade oplevert voor de boeren. Het lijkt mij dat vrijwel iedereen dit als een serieuze vorm van welvaartsverlies zal opvatten. Een geval bovendien waarin compensatie gerechtvaardigd is. Zo bezien levert dit precies het soort onomstreden geval op waar economen mee aan de slag willen. 

Maar hoe belangrijk is het dat de boeren weet hebben van de gezondheidsschade en die zwaar laten wegen in hun voorkeuren? Merk op dat dat essentieel is in de door economen aangehangen subjectieve voorkeursbevredigingstheorie van welvaart. Wat als boeren de gezondheidsrisico’s verkeerd inschatten? Of als ze die wel juist inschatten maar er verder niet veel om geven? Is er dan geen sprake van welvaartsverlies waarvoor compensatie op zijn plaats is? 

Ik vermoed dat vrijwel iedereen in dit geval zal vinden dat het er niet toe doet of de boeren zelf adequaat de gezondheidsschade in hun voorkeuren tot uitdrukking brengen. Dat komt omdat we iemands gezondheid “objectief” een belangrijk bestanddeel vinden van diens welvaart en dat we ook vinden dat schade eraan een aanspraak op compensatie rechtvaardigt.

De door economen aangehangen subjectieve voorkeursbevredigingstheorie van welvaart moet op de schop

Als dat zo is, dan betekent dat dat de door economen aangehangen subjectieve voorkeursbevredigingstheorie van welvaart op de schop moet. Dat hun normatieve welvaartseconomie dan niet meer naadloos aansluit op hun positieve microtheorie is een complicatie die economen op de koop toe zullen moeten nemen.


Meer:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *