Door Gijs van Maanen (Promovendus Tilburg University)

Het was groot nieuws: reuzenpanda’s Wu When en Xing Ya hadden gepaard. Hoewel het stel in eerste instantie niet van elkaar gecharmeerd leek te zijn, lukte het de dierentuin hen uiteindelijk toch “fysiek bij elkaar te zetten”. Maar in hoeverre is het te verantwoorden twee individuele dieren te dwingen seks te hebben om zo een soort te redden?

De tegenstelling tussen individu en soort is een van de vele tegenstellingen die Jozef Keulartz behandelt in zijn boek Dieren in ons midden. Keulartz onderzoekt hoe we onze relaties met dieren zo kunnen vormgeven dat dierenleed en soortverlies zo veel mogelijk wordt voorkomen.

 Om deze vraag te beantwoorden bespreekt hij onder meer het gebrek aan aandacht voor de teloorgang van de biodiversiteit, de geschiedenis van de Nederlandse natuurbeweging, het bestaansrecht van de dierentuin en de invloed van migrerende diersoorten. Om deze grote verscheidenheid aan thema’s voor de lezer behapbaar te houden, bestaat het boek uit drie delen.

hoe we onze relaties met dieren zo kunnen vormgeven dat dierenleed en soortverlies zo veel mogelijk wordt voorkomen

Dierenleed

Keulartz start met een ideeëngeschiedenis van de Nederlandse natuurbeweging waarin hij grote concepten zoals ‘natuur’ behandelt. Vervolgens behandelt hij twee casestudies. De lezer verkrijgt hierdoor een goed begrip van de wijzen waarop theorie en praktijk met elkaar in conflict kunnen zijn. 

De recente discussie over de Oostvaardersplassen is zijn eerste casestudie. Indien je de grazers in de Oostvaardersplassen begrijpt als ‘wild’, ben je minder geneigd deze in tijden van kou en voedselschaarste bij te voeren. Als je daarentegen de paarden in het gebied als ‘gehouden’ dieren ziet, vloeit daar al snel een zorg- met bijbehorende bijvoederplicht uit voort. Hoe je het begrip natuur begrijpt, heeft dus grote gevolgen voor je omgang met dierenleed.

De tweede casestudie betreft het bij de Veluwe gelegen stuifzandheidegebied Planken Wambuis. Door toenemend gebruik van kunstmest in de afgelopen decennia lopen dergelijke stuifzandgebieden het gevaar langzaam dicht te groeien.

 Hoe je het begrip natuur begrijpt, heeft dus grote gevolgen voor je omgang met dierenleed.

De vraag is of dit als een probleem moet worden beschouwd. Keulartz laat zien dat antwoorden op die vraag ook altijd bepaalde ideeën over wat natuur is en zou moeten zijn met zich meedragen. Wanneer je gelooft in een strikt mens-natuur-onderscheid, zal je ook minder snel geneigd zijn in te stemmen met een strak maaibeleid in het stuifzandgebied. De natuur kan dan ongestoord haar gang gaan.

Grenswerk

Keulartz schrijft dat het vaak moeilijk is een positie in te nemen in discussies die worden gekenmerkt door sterke tegenstellingen zoals die tussen natuurlijk en onnatuurlijk. Om die reden pleit hij voor de eerder door hemzelf ontwikkelde methodiek van ‘grenswerk’: een op consensus georiënteerde vorm van conflictmanagement waarin gemeenschappelijkheid in plaats van verschil centraal staat. Een belangrijk kenmerk van grenswerken is herkennen en erkennen dat je samen met anderen geworpen bent in hetzelfde ‘discussie-universum’ waar niemand bij voorbaat van uitgesloten dient te worden en geen positie onfeilbaar is.

Keulartz past zijn grenswerken ook toe in de resterende delen van het boek, waarin elk nieuw hoofdstuk een ander en nieuw thema behandelt. Vaak begint een hoofdstuk met een lange historische inleiding op de wereldwijde discussie over het te bespreken thema. Een voorbeeld hiervan is het hoofdstuk over landbouw en natuur, waarin eerst uitvoerig wordt ingegaan op discussies tussen Rachel Carson en Norman Borlaug. 

‘grenswerk’: een op consensus georiënteerde vorm van conflictmanagement waarin gemeenschappelijkheid in plaats van verschil centraal staat

Carson, bekend van haar boek Silent Spring uit 1962, heeft zich haar hele leven afgezet tegen idealen van maakbaarheid en controle zoals die te vinden zijn in de industriële landbouw. De intensivering van het gebruik van pesticiden en monoculturen maakte gewassen kwetsbaarder en leidde tot gezondheidsrisico’s voor mens en dier. Borlaug was daarentegen juist voorstander voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen omdat je daarmee de voedselproductie verhoogt en zo wereldwijde honger kunt tegengaan. Borlaug ontving voor zijn werk op dat gebied de Nobelprijs van de Vrede. 

Natuurbeleid

De discussie tussen Carson en Borlaug laat zien hoe verschillende ideeën over de relatie tussen mens en natuur in de praktijk met elkaar kunnen botsen. En hoewel dat ongetwijfeld relevant is voor het verkrijgen van een goed begrip van hoe er in Nederland wordt aangekeken naar het boerengebruik van land, blijft een kritische beschouwing van de recente (politieke) ontwikkelingen in Nederland onderbelicht. En dat is jammer, vooral als je het vergelijkt met Keulartz’ analyse van de Oostvaardersplassendiscussie in deel I.

Helaas is dit niet het enige hoofdstuk waarin een interessant en belangrijk thema niet wordt ingebed in de praktijk. De vraag beklijft vaak wat complexe discussies over de betekenis van ‘natuur’, ‘wild’ en ‘individu versus soort’, nou precies betekenen voor het Nederlandse natuurbeleid. Keulartz probeert een historisch, geografisch en thematisch totaaloverzicht te geven van de theoretische en beleidsmatige discussies omtrent dier-, soort- en natuurbehoud. Gezien zijn hoofdvraag is dit niet verwonderlijk. Maar de lezer verliest daardoor wel snel het overzicht. Het gebrek aan een concluderend hoofdstuk helpt in dit kader ook niet. 

Helaas is dit niet het enige hoofdstuk waarin een interessant en belangrijk thema niet wordt ingebed in de praktijk

Daarnaast boet Keulartz’ totaaloverzicht zijn oproep tot grenswerk kracht in. Een pragmatische benadering vereist een grondig overzicht van de discussie in de lokale praktijk (zoals deel I heel mooi laat zien). Wanneer men daar geen beeld van heeft, blijven oproepen tot consensus, bifocale visies en gemeenschappelijkheid toch soms jammerlijk hangen in de wereld van de theorie.

Dieren in ons midden biedt een toegankelijk overzicht van discussies over de plek van dieren in onze samenleving. Keulartz gaat in op hoe mensen praten over en beleid maken voor dier en natuur. De vraag of dier en natuur daar zelf ook iets van (mogen en kunnen) vinden wordt daardoor niet gesteld. Keulartz verwijst wel kort naar het bekende werk van Kymlicka & Donaldson en zelfs Eva Meijers aanbeveling siert de kaft.

Maar het vraagstuk of je dieren zelf als politieke actor of (semi-)burger bij besluitvormingsprocessen moet betrekken, zoals deze auteurs onderzoeken, blijft buiten beeld. Hoewel dat weinig afdoet aan Keulartz’ focus op de menselijke discussies over dier en natuur, zou het nastrevenswaardig zijn om ook op dat gebied eens wat ‘grenswerk’ te verrichten.

Socratesbeker

Dieren in ons midden is genomineerd voor de Socratesbeker, de prijs voor het beste Nederlandstalige filosofieboek van 2019. Alle twintig genomineerde boeken vind je hier.


Meer:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *