Door Yvette Drissen (Tilburg University)

De studententijd, wat een mooie tijd. De wereld ligt nog aan je voeten, je mag studeren wat je wil en je maakt vrienden voor het leven. De realiteit is echter een stuk minder rooskleurig. Steeds meer studenten zijn overspannen, neerslachtig, eenzaam, hebben angstaanvallen en concentratieproblemen.

Het aantal studenten met een zogenaamde ‘functiebeperking’ neemt toe. Maar hoe kan een student goed functioneren in een omgeving die ziekmakend is? In haar recent uitgekomen boek De mooiste tijd van je leven? Een nieuwe kijk op studiestress geeft filosofe Toske Andreoli een scherpe analyse van het fenomeen studiestress.

Ze plaatst problemen in een bredere maatschappelijke context, in plaats van ze toe te schrijven aan het individu. Maatregelen zoals het bindend studieadvies (BSA), het leenstelsel en de aanwezigheidsplicht, maken het de student niet gemakkelijk.

Op de hoogte blijven? Volg ons op Twitter, Facebook en Instagram.

Meer studenten geclassificeerd als abnormaal

Het probleem is tweeledig. Allereerst wordt het beeld van de ‘ideale’ student steeds nauwer. Deze student is excellent, gedisciplineerd, flexibel, ondernemer van haar eigen leven en sluit vooral haar opleiding op tijd en met hoge cijfers af.

Wanneer je buiten deze enge norm valt, lijkt er iets mis met jou. Dat studenten die ‘onder de maat’ presteren alsnog een negatief bindend studieadvies kunnen ontvangen in hun tweede of zelfs latere studiejaren, is hiervoor tekenend.

Oplossingen die zich richten op het individu zijn geen echte oplossingen

Ten tweede, de druk om aan dit ideale plaatje te voldoen creëert ook daadwerkelijk mentale problemen. De student wordt daardoor vaak passief of juist extreem actief. De passieve student kan amper iets gedaan krijgen. Mede door het gebrek aan contacturen (zo’n 16 per week) blijven er veel lege uren over en dat werkt verlammend.

De extreem actieve student neemt daarentegen nauwelijks rust. Ze rent van hot naar her om alle balletjes perfect in de lucht te houden… totdat ze breekt, er uitgeput bij neer valt of de kamer überhaupt niet meer uitkomt.

Collectieve oplossingen

Oplossingen die zich richten op het individu, zoals een cursus ‘Lekker in je vel’ en ‘Time Management’, zijn eerder symptomatisch voor het probleem dan echte oplossingen. Het is dan alsnog je individuele verantwoordelijkheid om beter met stress om te kunnen gaan.

In plaats daarvan pleit Andreoli voor meer betrokkenheid vanuit de universiteit. Ook zouden studenten baat hebben bij meer sociale cohesie en gedeelde ritmes die activiteit en passiviteit afwisselen.

Als je zelfstandige studenten wilt, moet je veel structuur bieden

Zonder te moraliseren weet Andreoli toch de urgentie van het probleem te benadrukken. Ze schetst een helder beeld van de situatie waarin de Nederlandse student zich bevindt. Vervolgens plaatst ze die op een toegankelijke manier binnen sociaal-filosofisch perspectief.

Ze sluit af met een oproep voor collectieve oplossingen, vooral gericht aan universiteiten. De paradox is dat opleidingen veel structuur moeten bieden als ze zelfstandige studenten willen opleiden.

Spanning tussen negatieve en positieve vrijheid

Maar het is nu net deze paradox die enige verwarring oproept bij het lezen van het boek. Andreoli maakt gebruik van de filosofische concepten ‘negatieve’ en ‘positieve vrijheid’ om haar analyse kracht bij te zetten. Negatieve vrijheid betekent kortgezegd ‘vrij van belemmeringen’ en positieve vrijheid betekent ‘vrij om iets te doen’. Ze pleit voor een positieve opvatting van vrijheid, waarbij structuur en grenzen juist nodig zijn.

Het is echter maar de vraag of deze twee filosofische begrippen haar analyse duidelijker maken. Kenmerkend voor negatieve vrijheid is namelijk dat niet voorkomen wordt dat je kunt doen wat je wenst te doen. Maar zaken als de aanwezigheidsplicht en het BSA duwen de student juist naar het ideaalplaatje, of ze dit nu willen of niet. Dat het huidige beleid gekenmerkt wordt door het ideaal van negatieve vrijheid lijkt dus maar gedeeltelijk waar.

Het bewandelen van de eigen weg maak je niet mogelijk door studenten aan hun lot over te laten

Bovendien waarschuwen tegenstanders van positieve vrijheid voor een autoritaire opvatting van hoe men vrij moet zijn. Om Andreoli’s eigen voorbeeld te gebruiken: een afkickende verslaafde roker verlangt naar een sigaret, maar tegelijkertijd wil hij er niet naar verlangen. De verslaving maakt hem onvrij om andere dingen te doen. Collectieve disciplineringsmaatregelen kunnen hem dan ‘bevrijden’, maar schrijven ook voor dat een vrije maatschappij rookvrij is.

Eenzelfde soort gevaar ligt op de loer wanneer Andreoli pleit voor meer betrokkenheid, gedeelde ritmes en sociale cohesie. Je zou kunnen zeggen dat je studenten daarmee ook dwingt om bepaalde gezamenlijke ritmes te volgen en deel te nemen aan bepaalde groepsactiviteiten.

Hoe maakt dit de studenten vrij? Maakt het ze vrij om hun leven in te richten zoals ze dit willen? En hoe hangt dit samen met hun mentale gezondheid?

Ruimte voor een veelheid aan studenten

Andreoli gaat zorgvuldig met dit potentiële tegenargument om. Binnen het concept van positieve vrijheid maakt ze ruimte voor studenten om hun eigen weg te bewandelen. Dit bereik je niet door ze aan hun lot over te laten of door ze honderdeneen keuzes te geven.

Dit bereik je wel door (fysieke) ruimtes te creëren waar ze elkaar kunnen ontmoeten, inhoudelijk uitdagende colleges te geven en meer vaste, gezamenlijke ontmoetingsmomenten aan te bieden.

De universiteit heeft óók de taak om de maatschappij een spiegel voor te houden

Dit citaat vat het mooi samen: “Het zou beter zijn voor het welzijn van studenten als onze universiteiten ruimte zouden bieden aan zoveel mogelijk soorten mensen. De studiepraktijk zou zodanig moeten zijn, dat zowel de uitblinkers als de middenmoot, de verlegen studenten als de mondige, de georganiseerden als de chaoten, de snelle als de trage studenten, de eenzelvigen als de sociale dieren probleemloos kunnen studeren en bestaansrecht krijgen.” 

Uiteraard is het de taak van de universiteit om studenten klaar te stomen voor de (internationale) arbeidsmarkt en werkvloer. Maar moet de universiteit zich maar blind overgeven aan het principe van ‘u vraagt wij draaien’? Zeker niet.

De universiteit heeft óók de taak om de maatschappij een spiegel voor te houden en om kritische burgers op te leiden die het eigen systeem ter discussie durven te stellen, zoals Toske Andreoli overtuigend doet.

Vond je dit een goed artikel? Bij Nader Inzien zet zich in voor de verspreiding van serieuze filosofische kennis en analyse. We kunnen het platform draaiende houden dankzij de inzet van vrijwillige auteurs en redacteuren en de steun van lezers zoals jij. Word daarom vriend van BNI of steun ons met een donatie.

Meer:

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *