Door Kiki van Hedel (Tilburg University)

De gezondheidszorg behandelt ons, volgens Jenny Slatman, te veel als eenzame, losgezongen individuen. Binnen dit beeld is ziekte te lokaliseren in het lichaam, zoals bij depressie, wat vaak wordt gezien als een probleem in de hersenen. Slatman zegt dat dit beeld niet volledig is, omdat depressie ook een verstoring is in de relatie tussen lichaam en omgeving. Als we ons neerslachtig voelen, zijn dingen minder interessant en voelen we ons minder verbonden met anderen.

Op de hoogte blijven? Volg ons op Twitter, Facebook en Instagram.

In haar nieuwe boek Nieuwe Lichamelijkheid beargumenteert Slatman dat zorg zich niet alleen moet richten op het individu, maar ook op diens omgeving. De mogelijkheden die de omgeving biedt bepalen de manier waarop ziekte beperkt en zijn niet voor iedereen hetzelfde. Slatman houdt hiermee een belangrijk pleidooi voor een inclusievere gezondheidszorg.

In verbinding

De gezondheidszorg benadert ziekte op een dualistische manier, die ziekte behandelt als lichamelijk of psychisch. Deze kijk objectiveert de patiënt en reduceert het probleem; we zijn namelijk niet een geïsoleerd hoofd of lichaam. In plaats daarvan moeten we, volgens Slatman, het individu benaderen als belichaamd subject.

Slatman laat zien dat ons lichaam altijd in verbinding is met onze omgeving

In tegenstelling tot het geobjectiveerde lichaam, erkent dit beeld dat onze lichamen geleefd en ervaren worden. Als belichaamd subject staan we ook altijd in relatie tot anderen en onze omgeving. Hoewel een dualistische kijk sociale factoren wel kan erkennen, is het sociale secundair en losgekoppeld van het lichamelijke en psychische. Slatman ziet de relatie tussen lichaam en omgeving daarentegen juist als primair.

Om deze relationele aard van het lichaam duidelijk te maken moeten we eerst begrijpen hoe onze lichamelijkheid samenhangt met ons kunnen. Gebaseerd op Merleau-Ponty’s concept van het ‘ik kan’ laat Slatman zien dat ons lichaam altijd in verbinding is met onze omgeving. Het ‘ik kan’ stelt dat we binnen de connectie tussen lichaam en omgeving de mogelijkheden voor ons kunnen vinden.

Mijn mogelijkheid om dit te schrijven is bijvoorbeeld afhankelijk van bepaalde middelen: een laptop, bureau en stoel zorgen ervoor dat ik mijn werk kan verrichten. Maar ook een rustige omgeving kan mijn ‘kunnen’ beïnvloeden. Als alles goed gaat kan ik makkelijk gebruikmaken van mijn lichaam om te schrijven, maar als ik ziek ben wordt het moeilijker me te concentreren en te schrijven.

In sommige gevallen moeten we de omgeving inclusiever maken

Deze beperking in het ‘ik kan’ komt niet alleen voor bij ziekte. Een rolstoelgebruiker wordt beperkt in diens ‘ik kan’ als er bij een verhoging alleen maar een trap aanwezig is, maar deze beperking zou er niet zijn als er een helling aanwezig is. Maar een beperking in het ‘ik kan’ hoeft niet altijd fysiek te zijn. In het geval van racisme en seksisme hebben gemarginaliseerde lichamen, op basis van huidskleur of geslacht, niet dezelfde bewegingsvrijheid als bijvoorbeeld witte mannen. Sommige lichamen zijn minder welkom vanwege impliciete of expliciete discriminatie en ervaren daardoor minder mogelijkheden in hun ‘ik kan’.

Het ‘ik kan’ is dus relationeel en afhankelijk van het samenspel tussen lichaam en wereld. Om ruimte te maken voor diversiteit, is het belangrijk om te luisteren naar de ervaringen van mensen, omdat dit inzicht geeft in de manier waarop het ‘ik kan’ verstoord is. Afhankelijk van de beperkingen die iemand ondervindt, kan de zorg beter afgestemd worden. In de praktijk betekent dit dat we de zorg soms niet moeten richten op het individu. In sommige gevallen moeten we de omgeving inclusiever maken voor verschillende lichamen.

Wiebelen of wapperen

Nu zou je misschien zeggen dat Slatman hierdoor het lichaam vergeet, want er zijn veel voorbeelden te noemen waarbij er een duidelijk probleem en oplossing is binnen het lichaam. Heb je bijvoorbeeld een gebroken been, dan kost dat wat tijd om te genezen, maar daarna kun je waarschijnlijk weer zonder beperkingen je leven oppakken. Slatman richt zich voornamelijk op gevallen waar deze gezondheidszorg tekortschiet, bijvoorbeeld in het geval van chronische of aanhoudende beperkingen.

Ze geeft het voorbeeld van autisme. Een behandelvorm bij autisme is het afleren van autistisch gedrag, zoals wiebelen met het lichaam of wapperen met de handen, en het aanleren van neuro-typisch gedrag, bijvoorbeeld het maken van oogcontact. Kinderen met autisme ervaren deze behandelvorm echter vaak als traumatisch. De behandeling vraagt om onderdrukking van autistisch gedrag, wat autistische kinderen aanleert dat dit soort gedrag ‘slecht’ zou zijn.

Effectieve zorg zou zich moeten richten op de ondervonden beperkingen

Dit voorbeeld toont het belang van Slatmans idee goed aan, want er is veel wat we als maatschappij kunnen doen om ruimte te creëren voor mensen met autisme. Dit hangt samen met de mate waarin hun omgeving hun ‘kunnen’ beperkt. Wiebelen of wapperen kan mensen met autisme helpen om rustig te worden. Als dit niet mag, kan dit beperkend werken.

Samenspel

Dit betekent niet dat beperkingen enkel maatschappelijk zijn, want autisme komt wel degelijk met een andere ervaring van lichamelijkheid. Mensen met autisme verwerken prikkels bijvoorbeeld anders, waardoor een drukke omgeving sneller overprikkelend kan zijn. Vanuit de medische blik zouden we dit lokaliseren in het brein, want het brein verwerkt prikkels anders. Slatman zou dit beeld niet volledig vinden, omdat voor overprikkeling ook een overprikkelende omgeving nodig is.

Het is dus het samenspel tussen omgeving en individu dat bepaalt welke beperkingen iemand ondervindt. Effectieve zorg zou zich moeten richten op deze ondervonden beperkingen. Als wiebelen en wapperen niet als een beperking worden ervaren, maar overprikkeling wel, kunnen we zorg daarop afstemmen. Passende zorg kan zich richten op het individu, bijvoorbeeld door vaardigheden aan te leren om met overprikkeling om te gaan. Maar het kan zich ook richten op de omgeving, bijvoorbeeld door ruimtes te creëren die minder overprikkelend zijn, of door hulpmiddelen zoals geluiddempende koptelefoons toe te staan.

Slatman pleit ervoor de zorg te richten op individu en omgeving en houdt zo een belangrijk pleidooi voor inclusie in de zorg. Tegelijkertijd is het een ambitieus project, want in minder dan tweehonderd pagina’s brengt ze een gecompliceerd probleem in kaart. Om dat te bewerkstelligen bespreekt Slatman de geschiedenis van de hedendaagse gezondheidszorg, introduceert ze verschillende filosofieën, en bespreekt ze een scala aan vormen van ongelijkheid. Dat maakt het een belangrijk boek om te lezen voor gezondheidsprofessionals, maar ook als jij of je naasten te maken hebben met (aanhoudende) ziekte kan dit boek erkenning en inzicht bieden.

Kiki van Hedel werkt als onderzoeker aan Tilburg University.


Vond je dit een goed artikel? Bij Nader Inzien zet zich in voor de verspreiding van serieuze filosofische kennis en analyse. We kunnen het platform draaiende houden dankzij de inzet van vrijwillige auteurs en redacteuren en de steun van lezers zoals jij. Word daarom vriend van BNI of steun ons met een donatie.

Meer:

Volg ons op

TwitterInstagramFacebook

Op de hoogte blijven per mail?

Wanneer wil je een e-mail ontvangen?

Steun ons

Doneer Word vriend