Door Ruud Welten (Universitair Hoofddocent Universiteit van Tilburg & Bijzonder hoogleraar Erasmus Universiteit Rotterdam)

‘Ik las Camus toen ik 17 was!’ is de standaardreactie zodra de naam Camus valt. Het is alsof we ermee willen aangeven hoe verschrikkelijk achterhaald deze filosoof is. In plaats van Camus nostalgisch toe te schrijven aan onze vermeende jonge wilde jaren, neem ik het op voor de denker voor wie filosofie wars is van troost of hoop die de menselijke conditie slechts ontkent.

Voor Camus bestaat de taak van de filosofie erin ons te herinneren aan de aperte ambiguïteit van ons bestaan. De mens is voor Camus niet een wezen ‘dat in opstand komt’ (omdat hij bijvoorbeeld wat puberaal is) maar de mens is opstand. Het menselijk subject is de drager van zijn eigen opstand. De mens is het enige schepsel dat zich niet bij zijn geworpenheid neerlegt. Het grootse van Camus’ Lhomme révolté (1951) is zijn systematische wantrouwen ten aanzien van de mens die met een hoopvolle oplossing komt, die de revolte afkoopt door een revolutie (zoals een politiek waarin men het varkentje weleens eventjes zal wassen). Voor Camus is de mens een oorspronkelijke gespletenheid, een onrust, een disbalans die hij ervaart in de absurditeit. De mens komt niet in opstand omdat hij weet wat hij wil maar omdat hij ervaart wat hij niet wil. Daar begint het menszijn.

Dit is een aflevering uit de rubriek ‘Een Kleine Ode Aan’. In ongeveer 250 woorden looft een Nederlandse of Vlaamse auteur een al dan niet vergeten filosofisch pareltje.


Meer:

1 Comment

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *