Door Hans van Eyghen (Wetenschappelijk medewerker Ministerie van Justitie en Veiligheid)

Waarheen met het christendom in de 21ste eeuw? Dit is de vraag die Guido Vanheeswijck bezighoudt in zijn laatste boek. Thema’s die aan bod komen zijn secularisatie, het hedendaagse discours over christendom en islam en het opkomende cultuurchristendom.

Vanheeswijck stelt dat secularisatie andere oorzaken heeft dan vaak gedacht wordt, dat het christendom (in tegenstelling tot de islam) steeds als gemoedelijker en ongevaarlijker wordt gezien en dat het cultuurchristendom slechts in beperkte mate de erfgenaam van het christendom is.  Hoewel het boek een duidelijke lijn mist en de thema’s soms door elkaar heen lopen, behandelt het een hoop interessante ideeën en geeft Vanheeswijck een eigen kijk op het hedendaagse christendom.

Hieronder bespreek ik 2 prominente ideeën uit het boek, secularisatie en het cultuurchristendom. Deze ideeën vormen samen de kern van Vanheeswijcks boek.

Secularisatie

Vanheeswijck bespreekt 2 secularisatie-theorieën. Veel mensen denken dat de secularisatie van onze samenleving werd veroorzaakt door nieuwe wetenschappelijke inzichten en de emancipatie van het individu. Wetenschap zou christelijke dogma’s onhoudbaar gemaakt hebben en de groeiende individualisering sinds de jaren ’60 zou voor een afkeer van elke vorm van kerkelijke autoriteit gezorgd hebben.

In werkelijkheid verliep secularisatie anders. Volgens Vanheeswijck strookt dit verhaal niet met hoe christenen zelf de evolutie van hun geloof beleefden. De klassieke secularisatiehypothese doet ook geen recht aan de complexe interne dynamieken die het christendom in de 20ste eeuw transformeerden.

De God van het hedendaagse christendom is vooral een gezellige, gemoedelijke God die weinig van mensen vraagt en weinig inbreekt in hun dagelijkse immanente leven

Een alternatieve verklaring voor secularisatie is dat christenen hun God zijn gaan beschouwen als een transcendente entiteit die mijlenver van het dagelijks leven afstaat. Vanheeswijck verwijst hiervoor naar ideeën van Karl Lowith, Hans Blumenberg, Marcel Gauchet en Charles Taylor. Hoewel deze auteurs andere aspecten uitlichten, delen ze de idee dat interne aspecten uit het christendom of uit de christelijke theologie voor een transformatie van religie zorgden.

Door God transcendenter voor te stellen, werd de nadruk verschoven naar het aardse leven. Door deze evolutie is elke verwijzing naar iets transcendents, zoals God, problematisch geworden. Als gelovigen zelf nog durven praten over God, hebben ze het over een concept dat alle tanden lijkt verloren te hebben. De God van het hedendaagse christendom is vooral een gezellige, gemoedelijke God die weinig van mensen vraagt en weinig inbreekt in hun dagelijkse immanente leven. Elk spreken over een God die boven alles staat en invloed uitoefent op het leven van mensen wordt meer en meer problematisch.

Hoewel Vanheeswijck in het boek hedendaagse gelovigen uitdrukkelijk aanspreekt (‘Onbeminde gelovigen’) geeft hij erg weinig richtsnoeren om om te gaan met de evolutie richting focus op de stoffelijke wereld en schaamte om te praten over alles wat daar boven zou staan. Impliceert kennis van de cultuurgeschiedenis van het christendom dat praten over transcendentie terug op het voorplan moet komen? Is de focus op het immanente dagelijkse leven terecht of gewettigd? Moeten gelovigen het tij proberen keren? Dit zijn vragen die ik als lezer kreeg maar waar geen antwoord op volgde. Vanheeswijck lijkt liever geen normatief standpunt in te willen nemen en mist zo een kans.

Over cultuurchristendom en gutmenschen

Vanheeswijck neemt wel een normatief standpunt in over het cultuurchristendom. Cultuurchristenen zijn diegenen die zich in naam nog christen noemen en groot belang hechten aan de culturele erfenis van het christendom. Zij hebben echter weinig of niets meer met de transcendente aspecten van het christendom. Cultuurchristenen beweren vaak dat de Europese verlichting en de mensenrechten voortkomen uit het christendom. Dit uit zich vaak in kritiek op de islam en in politiek populisme.

Volgens Vanheeswijck is het cultuurchristendom een symptoom van een gebrek aan culturele identiteit en betekenis in Europa maar heeft het nauwelijks iets te maken met de religieuze lading van het christelijke geloof. Compassie, gelijkwaardigheid van alle mensen en zorg voor vreemdelingen waren traditioneel altijd deel van de christelijke package deal. Cultuurchristenen zijn vaak fel gekant tegen immigratie en anti-islamitisch. Wie wel nog opkomt voor zwakkeren en migranten wordt door cultuurchristenen vaak weggezet als ‘gutmensch’. 

Niet alle christenen, zowel historisch als vandaag, waren gutmenschen die radicale compassie en onvoorwaardelijke zorg voor vreemdelingen preekten

Vanheeswijck trekt de scheiding tussen cultuurchristenen en christenen met religieuze lading te scherp. Niet alle christenen, zowel historisch als vandaag, waren mensen die radicale compassie en onvoorwaardelijke zorg voor vreemdelingen preekten.

Historisch zijn er altijd christenen geweest die een realpolitik najoegen waarbij de compassievolle elementen uit de christelijke ethiek minder prominent waren. Vaak werd radicale gelijkwaardigheid uitgesteld tot na het eschaton of tot in de hemel. Ook vandaag de dag vindt men ook onder religieuze christenen felle tegenstanders van massa-immigratie.

Wat ethiek betreft, liggen cultuurchristenen dus niet altijd veraf van vele religieuze christenen. Het is ook tekenend dat de term ‘gutmensch’  meestal niet gericht wordt aan religieuze christenen maar aan het linkse politieke spectrum.

Niet alle hedendaagse religieuze christenen kunnen dus makkelijk gecategoriseerd worden als gutmenschen. Zoals Vanheeswijck zelf betoogd, is dit laatste onderscheid vooral ontologisch; religieuze christenen geloven in een transcendente realiteit terwijl cultuurchristenen het houden bij de immanente realiteit.

Dit onderscheid leidt niet onmiddellijk tot ethische meningsverschillen over de gelijkwaardigheid van elke mens of over zorg voor vreemdelingen. Ethische discussies over dit onderwerp zijn legitiem en nodig maar lijken redelijk los te staan van de metafysische discussie. Om die reden voelt Vanheeswijcks voorzichtige pleidooi ter verdediging van gutmenschen wat geforceerd.

In conclusie, Vanheeswijck toont in zijn boek overtuigend aan dat de evolutie van het christendom en de secularisatie complexe zaken zijn. Jammer genoeg doet hij niet voldoende recht aan de complexiteit het cultuurchristendom en haar relatie tot het religieuze christendom. 

Socratesbeker

Onbeminde gelovigen is genomineerd voor de Socratesbeker, de prijs voor het beste Nederlandstalige filosofieboek van 2019. Alle twintig genomineerde boeken vind je hier.


Meer:

4 Comments

  1. Ik heb het boek (nog) niet gelezen, maar – wat zijn religieuze Christenen? Is dat Vanheeswijcks onderscheid of is het van Van Eyghen? Als bedoeld wordt Christenen die zelf verklaren religieus te zijn, of Christenen die verbonden zijn aan een kerk, dan kunnen zij nog steeds cultuurchristenen zijn, gezien vanuit het transcendentie/solidariteitscriterium, lijkt mij.

    1. Vanheeswijck lijkt cultuurchristenen te definieren als christenen die waarde hechten aan de culturele erfenis van het christendom maar weinig hebben met de transcendente claims van het christendom. Bij andere definities van cultuurchristendom kunnen religieuze christenen (diegene die wel transcendente claims maken) ook cultuurchristenen zijn.

  2. “God” lijkt mij de verzamelnaam voor ons besef van onwetendheid. “de toekomst ligt in God’s hand” = wij kennen de toekomst niet. De kerk geeft antwoorden op vragen over het onbekende, zoals het ontstaan van het universum, de zin van het leven. Daarmee is het geloof tevens een firewall tegen existentiële angst en onzekerheid, een bijverschijnsel van ons bewustzijn. Nu zullen de geestelijke behoeften van gelovigen en ongelovigen niet zo veel verschillen. De vraag is dus hoe de ontkerkelijking uitpakt. Wat we voor het oude geloof terugkrijgen als zingeving en moreel kompas.

  3. God is eigenlijk ons besef van onwetendheid. De kerk geeft traditioneel antwoord op die existetiële vragen zoals de schepping van het universum, de oorsprong van het leven. Logisch dus dat kerkelijke stellingen soms ingehaald worden door voortschrijdende wetenschap. Maar het betreft dan slecht verschoven grenzen: elke wetenschappelijke ontdekking levert weer vele nieuwe vragen op. Geloof en wetenschap zijn complementair. Helaas was ten tijde van Descartes, die God in de natuur dacht in plaats van gezeten op een wolk, de astrofysica nog niet erg ontwikkeld. Dan zou hij Hem namelijk in een zwart gat hebben geplaatst en niet op aarde in de natuur. Dat laatste pakt namelijk niet goed uit want nu zijn milieu organisaties kerkvaders geworden. Deze activisten zijn abominabele zielenherders. In plaats van hoop en liefde prediken ze het einde der tijden en duiden de mens als “kanker van de aarde”. Daarmee is een belangrijk aspect van het geloof kapotgemaakt: een firewall tegen angst. Het gevolg is een suïcidaal energiebeleid als zelfkastijding.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *