Door Fleur Jongepier (Universitair Docent Radboud Universiteit Nijmegen)

Een week toerskiën in Zwitserland. Zwetend omhooglopen naar afgelegen berghutten op meer dan 3500m met panoramische, hagelwitte uitzichten. Lawineschep, sonde, stijgvellen, klimgordel, karabiners, thermosfles, bivakmuts, nieuwe ultra lichtgewicht donsjas – alles lag klaar.

En toen kwam het corona virus.

Ik moest een beslissing maken. Dit alles gebeurde vorige week donderdagochtend, voor Mark Ruttes persconferentie. Ik moest besluiten: gaan of niet gaan? Een beslissing maken doe je natuurlijk met je hoofd. Cognitief, rationeel, overwegend. Zo ging mijn denkproces ongeveer:

Wilnie: Er is een kans dat het land op slot gaat als je op de berg zit.

Wilwel: Eten wat de bergpot schaft, hüttenruhe, spierpijn, koud bier, diepe alpenslaap.

Wilnie: Je kunt in quarantaine belanden wanneer je terugkomt.

Wilwel: Heb je het weerbericht gezien? Een pak verse sneeuw en knalblauwe lucht. En de organisatie schaart zich achter de code groen. Wil je dat hele bedrag dan maar door de plee spoelen?

Wilnie: Geld is maar geld. (En voel ik niet een lichte verkoudheid opkomen?)

Wilwel: We zijn maar met z’n vijven, met de auto en niet met het vliegtuig, we zijn allemaal fit. Hoe groot zijn de risico’s nu werkelijk?

Wilnie: Egoïst. Het gaat vooral om het risico het virus te verspreiden, het gevaar voor kwetsbaarderen onnodig te vergroten, en mogelijk bij te dragen aan het doen overlopen van de intensive cares.

Wat is dat precies, de ‘ervaring’ van iets overwegen en besluiten?

Zo dialogisch als hierboven is een denkproces zelden, tenminste als ik voor mezelf mag spreken. De dialoog tussen Wilwel en Wilnie is natuurlijk maar een reconstructie. Het is bijzonder moeilijk, zo niet principieel onmogelijk, om het daadwerkelijke proces accuraat in taal te beschrijven. Toch voelt de reconstructie tegelijkertijd juist aan.

Wat is dat precies, de ‘ervaring’ van iets overwegen en besluiten? Hoe groot zijn hier de verschillen tussen individuen, en hoe betrouwbaar is het wat mensen zelf zeggen over hun ervaring?

Er zit een groot verschil tussen het gevoel van wikken en wegen en het gevoel wanneer de kogel door de kerk is. Er is zelfs een filosofisch onderzoeksgebied dat zich met dergelijke thema’s bezighoudt. Dit gebied wordt ‘cognitieve fenomenologie’ genoemd.

Het proeven van chocolade of thee heeft een specifieke subjectieve ervaringscomponent (de ‘what it’s like-ness’ van een ervaring, noemen filosofen dat heel serieus). Filosofen in dat debat houden zich bezig met de vraag of er ook zo’n ervaringscomponent aanwezig is bij zoiets als een oordeel vellen of een overtuiging hebben.  

Vermoeid door Wilnie en Wilwel liep ik op den duur maar naar boven en liet het bad vollopen. Ik was even klaar met het cognitieve overwegen en pakte een boek en dompelde onder in eucalyptusschuim. Tot ik op een gegeven moment voelde dat er een besluit was genomen. Ik zou niet gaan. Opvallend: Wilwel en Wilnie waren daar niet bij aanwezig.

Zo voelde het. Maar kan dat eigenlijk wel?

Rust

Uriah Kriegel, een tamelijk invloedrijke cognitiefilosoof, beschrijft de aard van een besluit in een van zijn blogs als de situatie waar “de wil in haar versnelling schiet en haar ding doet.” Een besluit maken behelst volgens hem het aangaan van een “onbetwistbaar commitment” en is iets waar een zekere “afsluiting” van uitgaat. Aldus Kriegel: “Als er nog een greintje twijfel is, dan is de beslissing nog niet echt gemaakt.”

Dat klinkt mij nog allemaal behoorlijk categorisch en cognitief in de oren. Wat ik wil weten is hoe je kunt voelen dat je een besluit hebt genomen. En dat is dus precies moeilijk te beschrijven.

Toen ik later naar beneden liep, betrapte ik mezelf op de gedachte: hee, ik heb kennelijk besloten niet te gaan.

Op basis van mijn ervaring bij de eerder beschreven beslissing zou ik zeggen dat het in de kern gaat om een ervaring van rust. Deze rust is deels lichamelijk (schouders zijn niet meer hoog opgetrokken, ademhaling keert terug naar de buik), maar het is ook een rust ten opzichte van de keuzeopties: ik voelde geen verlangen meer opties tegen elkaar af te wegen. Een bepaald gevoel van berusting.

Maar: er gingen dus geen zinnetjes door mijn hoofd zoals “Ik ga niet toerskiën,” “hiermee basta” of “nu ben ik tevreden.” Ik delibereerde in zijn geheel niet. Ik las gewoon verder in Sour Grapes en draaide de kraan dicht. De gevoelde peace of mind was lichamelijk.

Toen ik later naar beneden liep, betrapte ik mezelf op de gedachte: hee, ik heb kennelijk besloten niet te gaan. Mijn wil was in de versnelling geknald en had haar ding gedaan.

Onrust

Hier worden een aantal filosofen ongetwijfeld onrustig. Kan zoiets eigenlijk wel, erachter komen dat je een besluit hebt genomen? Zulke passiviteit past helemaal niet bij zoiets actiefs als een beslissing maken. Een beslissing maken veronderstelt dat je tot een oordeel komt, en tot een oordeel komen is noodzakelijkerwijs iets waaraan rationele vermogens te pas komen.

Zo geeft Naomi Kloosterboer in deze bijdrage aan Bij Nader Inzien het voorbeeld hoe je erachter kunt komen of je overtuigd bent dat het basisinkomen ingevoerd moet worden. “Om hiervan overtuigd te zijn,” schrijft ze, “moet ik er eerst goed over nadenken en bepalen wat ik ervan vind. Zo kun je verantwoordelijkheid nemen voor wat je vindt en verhoud je je op een actieve manier tot de wereld.”

Kan zoiets eigenlijk wel, erachter komen dat je een besluit hebt genomen?

Een overtuiging is zoals Kloosterboer opmerkt inderdaad nauw verbonden met nadenken en redeneren. Dat is ook de standaardbenadering wat betreft beslissingen. Met betrekking tot mijn beslissing in bad zijn er dus een aantal theoretische opties mogelijk:

  1. Ik besloot niet te gaan, waarbij ik = mijn lichaam.
  2. Ik maakte helemaal niet de beslissing om niet te gaan. (Excuses voor de dubbele ontkenning, niet te vermijden hier.)
  3. Ik maakte in bad wel degelijk de beslissing om niet te gaan, maar het ‘ik’ hierbij is niet mijn lichaam maar verwijst naar mijn cognitieve vermogens. Kortom, het leek voor mij alsof ik op lichamelijk niveau een besluit maakte, maar in werkelijkheid besloot ik op cognitief niveau. Mijn beschrijving van wat ik ervoer is simpelweg niet accuraat.

De derde optie vind ik een beetje paternalistisch en schuif ik terzijde.

Mijn lichaam besloot.

Verdedigers van de standaardbenadering zouden vermoedelijk voor optie 2 kiezen. Ik besloot pas echt iets, zouden zij zeggen, toen ik weer expliciete, reflectieve gedachtes had over de reis, ofwel, toen Wilwel en Wilnie er weer gezellig bij waren.

Misschien ging het wel zo: pas toen ik eenmaal beneden de gedachte had dat ik ‘erachter’ was gekomen dat ik een beslissing had gemaakt, maakte ik die beslissing. In bad viel helemaal geen beslissing. (De verdedigers van optie 2 moeten dan nog uitleggen wat er dan wel in bad gebeurde, en ook deze optie riekt naar fenomenologisch paternalisme.)

Op basis van mijn ervaring zou ik zeggen dat er wel degelijk een beslissing viel in bad. Ik zeg dus: optie 1. Mijn lichaam besloot.

Dit laat het overigens nog open of deze optie in strijd is met het idee dat een besluit gekenmerkt wordt door nadenken en redeneren. De vraag wordt immers nu geherformuleerd als de vraag of een lichaam kan nadenken en redeneren.

Natuurlijk, in zoverre elk denkproces (of zo u wilt, hersenproces) lichamelijk is of in ieder geval een lichaam veronderstelt, is het triviaal dat lichamen kunnen nadenken en besluiten. Maar ik ben hier geïnteresseerd in de niet-triviale variant van die vraag, waarbij Wilwel en Wilnie niet van de partij waren. Met andere woorden, of ‘lichamelijke’ besluitvorming zonder expliciet denkproces mogelijk is.

In dit korte stukje kan ik optie 1 niet uitvoerig verdedigen. Daarmee bedoel ik eigenlijk aan te geven dat ik eerlijk gezegd niet zou weten wat ik nog meer ter verdediging voor optie 1 zou kunnen aandragen behalve mijn eigen ervaring. En dat is nogal een smalle basis, dat geef ik graag toe.  

Maar misschien is het wel spannend genoeg de vraag serieus te nemen: kan je lichaam iets besluiten?

(Overigens is de reis de dag later geannuleerd, en heb ik mijn geld terugontvangen. Die donsjas houd ik.)


Meer:

11 Comments

  1. Dank.
    Dat is beroepsdeformatie denk ik, zowel omdat in het Engels beslissingen gemaakt worden, maar ook de genoemde filosofen zouden zeggen dat maken juister is dan nemen, inhoudelijk.

  2. Mooi, Fleur. Ik hoor een heleboel echo’s van de pogingen die ik door de jaren heen deed om helderheid te krijgen over wat er nu precies *gebeurt* als je (en dit kan niet mooier dan in het Engels) ‘make up your mind’.
    In *Wie ben ik dan?* beschrijf ik het met behulp van een term van Dewey als ‘dramatic rehearsal’. Het is niet in het gesprek tussen Wilwel en Wilnie dat de ‘peace of mind’ zich aandient. Het is in het voelen van en luisteren naar de toekomstige versie van jezelf die zal bestaan als hetzij Wilwel hetzij Wilnie haar zin heeft gekregen. Dat je daarbij *Sour grapes* aan het lezen was, vertel je vast niet per ongeluk in het voorbijgaan. Het is niet jouw lichaam daar in bad dat besloot, maar de lezer van *Sour grapes* die peace of mind vond, in zure druiven.

  3. 1. Super goed artikel Fleur! 2. Ik ben het met Jan eens: de beslisser is de lezer van Sour Grapes. Het is je onbewuste zelf (althans dat beweer ik in de dingen die ik ooit over vrije wil schreef). Die is belichaamd–zeker. Maar om die helemaal te vereenzelvigen met het lichaam lijkt me iets te veel van het goede. Het gaat ook om specifieke attitudes die niet tot pure lichamelijkheid te reduceren zijn. Denk aan William James’ voorbeeld van beslissen uit een warm bed te stappen in een ijskoude kamer: je lichaam zegt ‘blijf in bed’ maar je weet ook dat je dingen te doen hebt. James laat heel mooi zien dat jouw beschrijving van het nemen van een beslissing ‘spot on’ is. Het feitelijke uit bed stappen volgt niet onmiddellijk op de bewuste gedachte ‘ik moet er nu echt uit’ (zoals Wegner zou denken dat het gaat) maar op een korte periode van onbewust wegzakken. Opeens sta je naast je bed. Maar ik denk dat het onjuist is om je lichaam in dit voorbeeld de beslisser te noemen. Want die wilde juist in bed blijven.

    1. Ik zou eigenlijk een beetje een terugtrekkende beweging willen maken, nu. Weg van dat werkwoord “beslissen” en van de actor die daarbij hoort, “de beslisser”.
      Opeens sta je naast je bed. Die bevalt me wel. Blijkbaar ben je opgestaan. Jij deed het, dat opstaan – maar niet als een ‘beslisser’. Als je in termen van beslissen blijft praten, dan moet je een actor aanwijzen die het beslissen doet en zowel ‘het lichaam’ als ‘het onbewuste’ vind ik dan heel ongeschikte kandidaten.
      Hier is een optie: vergelijk het met jarig zijn op 29 februari in een jaar waarvan je niet weet dat het geen schrikkeljaar is. Op 28 februari kun je oprecht zeggen dat je morgen jarig zult zijn en op 1 maart kun je even oprecht zeggen dat je gisteren jarig was. De echte verjaardag is er niet geweest, maar je bent wel een jaar ouder geworden. Zo ook in dit geval: de echte beslissing heeft nooit plaatsgevonden, maar de balance of reasons heeft wel voor peace of mind gezorgd. (Met excuses voor het Engels.)

  4. @Marc: wie is dan de beslisser, als het niet je lichaam is? Wat anders dan je lichaam ‘doet’ de onbewuste processen waar jij de ‘triggering cause’ van de handeling legt?

    @Fleur: mijn vader zegt al jaren “ik heb nog nooit iets bedacht, al mijn gedachten zijn me binnengevallen”. Ik heb hem je stuk gestuurd, hij zal het er vast grondig mee eens zijn.

  5. Dank voor jullie reacties! Voer voor al dan niet cognitief denken. Ik ben op fietsvakantie cq tent quarantaine, met donsjas. Reageer later.

  6. Mooi stuk!

    Ik vind niet alleen de badsituatie de moeite van het analyseren waard, maar juist de eerdere wilnie-wilwel-situatie ook. Ik denk dat beslissingen over (toekomstige) handelingen, zeker waar het keuzes van enige betekenis zijn, altijd genomen worden door het belichaamde ik. En dat het mogelijk is de aandacht zodanig op gedachten te richten, dat de opmerkzaamheid voor signalen van het lichaam (drastisch) afneemt. In zulke gevallen heeft de denker minder goed of soms geen toegang tot haar eigen wensen, verlangens, voorkeuren etc. omdat die zich middels het lichaam (bv. emoties) te kennen geven. Of misschien is het beter om te zeggen: in zo’n geval hebben haar eigen verlangens niet de doorslaggevende kracht die ze wel hebben wanneer ze volledig in contact staat met haar lichaam, de signalen van haar lichaam direct laat spreken.

    Dit maakt niet in dezelfde mate uit voor het vormen van oordelen over het basisinkomen e.d., als voor het maken van keuzes voor handelingen. Argumenten over het basisinkomen laten zich prima afwegen zonder informatie over persoonlijke wensen en voorkeuren. Volgens mij schrijven legio filosofen in een relatief ‘ontlichaamde’ staat hun artikelen, helder argumenterend, maar ondertussen vergetend dat ze eigenlijk moeten plassen.

    Maar keuzes maken voor het eigen leven gaat doorgaans niet puur en alleen op basis van algemeen geldige argumenten. Er moet een verband zijn met de persoonlijke verlangens (etc.) en die zijn belichaamd. In de wilnie-wilwel-situatie werden allerlei argumenten overwogen. In bad werd de aandacht voor de signalen van het lichaam hersteld/vergroot, konden de belichaamde voorkeuren spreken en werd de keuze gemaakt. Door het belichaamde ik, zou ik zeggen.

    Dit laatste ligt in de lijn van wat Marc zegt, al klinkt het vb van James me wat dualistisch in de oren; het lichaam wil niet alleen maar in bed blijven liggen, het verlangen op te staan is ook belichaamd (bv. in de onrust in het lichaam die de persoon uiteindelijk doet opstaan). Daarnaast hoeven zulke keuzes volgens mij niet onbewust te verlopen; ‘belichaamd denken’ is ook mogelijk. (Niet iedereen stort zich in dezelfde mate op hun bewuste gedachten als (sommige) filosofen doen, alle andere signalen ervoor vergetend.)

    Terug naar jouw primaire interesse: kunnen dit soort keuzes ook gemaakt worden zonder het geredeneer (vooraf)? Ik denk van wel, al zou ik ook dan niet zeggen dat ‘het lichaam’ beslist, maar het belichaamde ik. Persoonlijke verlangens, wensen, voorkeuren die de basis vormen voor de lijfelijk ervaren keuze, zijn door de jaren heen geschraagd en gevormd, hangen samen met waarden, met wat voor iemand werkelijk van belang is.
    (En ik zou er uiteraard aan toevoegen dat het in zulke gevallen geen kwaad kan achteraf alsnog even wat rationale deliberatie op de ervaren keuze los te laten. Een duidelijk ervaren voorkeur hoeft nog niet een legitieme reden tot handelen te zijn; de fenomenologie van de keuze-ervaring geen garantie voor de moraliteit van keuzes.)

    Ik zou er graag nog eens over verder denken, mocht je zin hebben. Zeker ook over die andere toestand, van ‘ontlichaamd denken’. Is dat de beste benaming? En als we geneigd zijn te zeggen dat denkers op zulke momenten van zichzelf verwijderd zijn, hoe beschrijven we dan degenen die de filosofische artikelen schrijven? (Dit verwant aan Jans vraag naar de actor, maar voor het omgekeerde geval.) Zijn het fenomenologisch gezien ‘ontlichaamde zelven’? Zijn het nog ‘ikken’?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *