Door Kurt Kooiman (MA student, Vrije Universiteit Amsterdam)

De meesten zullen de filosofie van Immanuel Kant niet direct associëren met warmte, liefde of vriendschap. Zijn geschriften staan bekend als droog en zijn beroemde plichtenleer als abstract en rigide.

Toch laat Donald Loose in ‘Over vriendschap. De praktische filosofie van Kant’ (lees hier een fragment) zien: vriendschap is de sluitsteen van het kantiaanse systeem. Het is in feite de hoogste vorm van menszijn.

Van Kant tot Kant

Tijdens mijn eerste college ‘Kritik der reinen Vernunft’ van Kant – ik zat in het derde jaar van mijn bachelor – zei mijn docent: “Als je Kant begrijpt, ga je alles beter begrijpen”. Die uitspraak is me bijgebleven. Niet alleen omdat het zo’n stevig statement is, maar voornamelijk omdat mijn ervaring is dat het klopt.

Zowel binnen als buiten de filosofie worden zaken inzichtelijker op het moment dat je kennis hebt genomen van het denken van Kant. Alle groten na hem positioneren zich ten opzichte van hem. Maar ook andere wetenschappen en ons leven en samenleven als geheel zijn ontegenzeggelijk schatplichtig aan de verlichtingsfilosofie van Kant.

Dat heeft niet in de laatste plaats te maken met zijn praktische filosofie, oftewel zijn ethiek. Hiervan is het uitgangspunt de gedachte dat de mens een oneindige, absolute waarde heeft.

Dit wordt het meest pregnant uitgedrukt in de tweede formulering van de bekende categorische imperatief: Handel zo dat je de mensheid, zowel in je eigen persoon als in de persoon van de ander, nooit louter als een middel bejegent, maar ook altijd als een doel op zich.

Als je Kant begrijpt, ga je alles beter begrijpen


Onze samenleving is gemodelleerd – in ieder geval op papier (!) – naar wat Kant het rijk der doelen noemt, een wereld waarin de mens oneindige geldigheid heeft. Dat is de grondslag van de universele mensenrechten: dingen hebben een waarde ten opzichte van iets anders, wij hebben een waarde ‘op zich’.

Dit ontsluit voor Kant ook de dimensie van vrijheid. Wie handelt in overeenstemming met de categorische imperatief, is vrij.

In ‘Over vriendschap’ brengt emeritus bijzonder hoogleraar wijsbegeerte Donald Loose deze ethiek van de vrijheid op originele wijze ter sprake. Zijn stelling: in de vriendschap komt de rijkdom van Kants praktische filosofie samen. Een verrassende insteek.

Drie soorten vriendschap

Hoe ziet de vriendschap er voor Kant uit? Loose begint zijn betoog door te refereren aan Aristoteles. Hij onderscheidt in de Ethica Nicomachea drie typen van vriendschap, en Kant neemt dat schema grotendeels over – zij het dat hij er een wat andere invulling aan geeft.

Ten eerste is er vriendschap uit behoefte of nut: iemand is mijn vriend omdat we daar beiden baat bij hebben. Dit is volgens Kant een oneigenlijk vorm. Er dreigt een verhouding van ongelijkheid, en zodra de omstandigheden wijzigen, verliest de vriendschap haar zin. 

Vriendschap is, in volmaakte vorm, de vereniging van twee personen door een gelijke liefde en respect

Ten tweede is er vriendschap omwille van gedeelde smaak. Iemand is mijn vriend omdat we gezamenlijk het museum bezoeken, sporten of videogames spelen. Loose schetst dat voor Kant dit type analoog is aan de ware vriendschap. We zijn met een gedeelde smaak wel op elkaar gericht, maar het genoegen ligt primair in de omgang bij bepaalde zaken en niet bij de ander als zodanig.

Dat laatste is kenmerkend voor de ware, oftewel de morele vriendschap: de derde vorm. Loose citeert Kant: “Vriendschap is (in haar volmaakte vorm beschouwd) de vereniging van twee personen door een gelijke liefde en respect. Ze is een ideaal van deelnemen aan (Teilnehmung) en mededelen van (Mitttheilung) het welzijn van elk van de betrokkenen, die door een moreel goede wil verenigd zijn”.

Achter deze definitie gaat de gehele denkwereld van Kant schuil. Loose pakt er in de hoofdstukken diverse elementen uit, zoals gelijkheid, ideaal, respect, liefde en welzijn (geluk) en gaat daar nader op in. Daarnaast behandelt hij politiek en religie, onderwerpen die volgens Kant bij uitstek voorwerp van gesprek voor vrienden zijn.

Ten slotte bespreekt Loose hoe de verlichtingsfilosoof zelf als vriend was, en op welke manier zijn gedachtegoed door latere denkers is opgepakt. Op die wijze laat hij zijn licht schijnen over steeds andere aspecten van Kants filosofie, altijd vanuit de vraag hoe we het fenomeen van de vriendschap precies moeten begrijpen.

Respect en liefde

Om een voorbeeld te geven van hoe Loose dit aanpakt: in de definitie van vriendschap zien we de noties liefde en respect. Die eerste heeft betrekking op genegenheid en toenadering, terwijl die laatste juist wijst op afstand en terughoudendheid. Loose werkt deze spanning uit.

Respect wijst in de filosofie van Kant op de achting voor de zedenwet, de categorische imperatief. Dit is, technisch geformuleerd, “de subjectieve bepalingsgrond voor de moraliteit”. Met andere woorden: als wij subjectief het goede willen doen, dan begint dat voor Kant altijd met achting voor de zedenwet.

Loose merkt op dat dit respect uit de mens zelf voortkomt. Het kan zelfs niet anders, achting voor de zedenwet kan niet van buitenaf worden opgelegd. Zo onderscheidt Kant recht van moraal: die eerste kan extern afgedwongen worden, die tweede niet. Moraliteit heeft te maken met de wil of de intentie, een innerlijke gerichtheid.

Vrienden zullen volgens Kant verenigd moeten zijn in een gelijk respect voor de zedenwet. Dat betekent niet dat ze dezelfde overtuigingen hebben, maar wel dat ze in dezelfde mate het categorische imperatief als principe van het eigen handelen onderkennen.

Alleen in dat geval bejegenen ze, zoals we hebben gezien, zichzelf en de medemens als doel op zich. Enkel zo wordt de ander behandeld als iemand met een oneindige waarde. Dat is cruciaal voor vriendschap.

Daarnaast zullen vrienden volgens Kant verenigd moeten zijn in een gelijke liefde. Deze vorm van liefde moet volgens Loose onderscheiden worden van de passionele liefde. In de vriendschap kan dit beter gezien worden als welwillendheid, een deugd waarbij we de doelen van de ander tot de eigen doelen maken.

De vriendschap draait bij Kant uiteindelijk om een ideaal

Vrienden bevorderen actief elkaars welzijn. Dit laat volgens Loose zien dat de mens slechts een beperkte vriendenkring kan hebben. Actieve welwillendheid waarin we de doelen van een ander tot de onze maken kunnen we onmogelijk voor iedereen aan de dag leggen.

Loose wijst erop dat respect en liefde in theorie gescheiden, maar in de praktijk altijd met elkaar verweven zijn. Om de doelen van een ander tot de mijne te maken, moet ik hem of haar als doel op zich behandelen.

Maar iemand enkel in lijn met de zedenwet bejegenen is onvoldoende: de liefde zorgt voor de toenadering en nabijheid die kenmerkend is voor vriendschap. Zo houden liefde en respect elkaar in de vriendschap in evenwicht. Tenminste, idealiter.

Vriendschap, een ideaal om te vertrouwen

De vriendschap draait bij Kant uiteindelijk om een ideaal. Het is niet waarneembaar. Hoe zouden we ooit empirisch of met data kunnen verifiëren dat er sprake is van een wederzijds gelijke liefde en respect?

Dat wil niet zeggen dat vriendschap slechts een verzinsel is. In lijn met het systeem van Kant moeten we stellen dat de kern van het mens zijn, de moraliteit en de vrijheid, ook niet empirisch waarneembaar is.

Loose laat steeds zien dat dat precies de crux van Kants denken is: de medemens bejegenen als doel op zich, de oneindige waarde van de ander erkennen, dat kunnen we niet zien of meten. Hetzelfde geldt voor de ware vriendschap.

Daarom concludeert Loose dat vriendschap in essentie uiteindelijk een kwestie van vertrouwen is. Hij spreekt ook wel over ‘het geheim’. Er is zowel een geheim dat je als vrienden met elkaar deelt, als een geheim dat je toch ook altijd voor elkaar (en voor jezelf) blijft. In de vriendschap weet ik niet of ik een intentie deel, maar ik vertrouw erop.

Vrienden gaan ervan uit dat ze onderling een gelijke liefde en respect delen. Het is daarmee een concrete manifestatie van het algemene principe van moraliteit. De ware vriendschap wijst op de mogelijkheid van een gerealiseerde menselijke vrijheid en waardigheid. Vandaar dat Loose stelt: “Moreel genormeerde vriendschap lijkt een geloofwaardig perspectief te bieden op de voltooiing van het integrale doel van de ethiek in de praktijk”.

Apologie

De kracht van ‘Over vriendschap’ is dat Loose de vriendschap overtuigend neerzet als zeer fundamenteel. Het is de sluitsteen van de praktische filosofie van Kant, en daarmee van de gehele kantiaanse filosofie. In de vriendschap wordt iets van het hoogste voor de mens ervaarbaar.

In de vriendschap weet ik niet of ik een intentie deel, maar ik vertrouw erop

De relatie met een ware vriend laat ons even ruiken aan het heilige, het rijk der vrijheid waarin de goede wil heerst en iedereen handelt in overeenstemming met de categorische imperatief. Juist omdat wij dat als eindige wezens nooit werkelijk zullen bereiken is de vriendschap als perspectief op die wereld zo bijzonder.

Daarnaast koppelt Loose het thema aan de meest uiteenlopende maatschappelijke verschijnselen. Naast politiek en religie spreekt hij over de postmoderne cultuur, de digitalisering en de genderdiscussie. Zo toont hij de hedendaagse relevantie van Kants filosofie.

Hierbij moet worden opgemerkt dat Loose niet altijd even toegankelijk schrijft. Het boek is gericht op een verheldering van het fenomeen vriendschap, en zeker geen stap voor stap inleiding in Kants systeem. De schrijfstijl van Loose blijft, hoe nauwkeurig hij zijn betoog ook opbouwt, vrij academisch. Daar staat tegenover dat de lezer die doorzet er een hoop voor terugkrijgt.  

‘Over vriendschap’ een apologetisch boek noemen, gaat misschien wat ver. Maar het staat als een paal boven water dat Loose Kants gedachtegoed een warm hart toedraagt.

Dit gaat behoorlijk ver: zowel het Duitse idealisme als de fenomenologie gaat volgens hem toch voorbij aan enkele kerninzichten van Kant. Zeker op de manier waarop Loose het belang van de historische en institutionele dimensie die bijvoorbeeld Hegel inbrengt behandelt, valt wel wat af te dingen.

De lezer die doorzet krijgt er een hoop voor terug

Aan de andere kant: er is ook veel voor te zeggen dat de idealisten na Kant nooit in dezelfde mate recht hebben kunnen doen aan de spanning in zijn systeem. En precies in die spanning schuilt de mogelijkheid tot vriendschap en de oneindige waarde van de mens zelf.

Donald Loose is met Over vriendschap een van de vijf genomineerden voor de shortlist van de Socratesbeker. De beker wordt ieder jaar uitgereikt aan de auteur van het meest urgente, oorspronkelijke en prikkelende Nederlandstalige filosofieboek dat in het voorgaande jaar verscheen. De winnaar wordt bekendgemaakt op 21 juni. In de aanloop naar de uitreiking publiceert Bij Nader Inzien recensies van alle vijf de boeken op de shortlist.


Meer:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *