Door Bij Nader Inzien (redactie)

De Duitse filosoof Immanuel Kant staat bekend om zijn plichtenleer. Minder bekend is zijn praktische filosofie over vriendschap. In de volgende passage uit Over vriendschap, de praktische filosofie van Kant beschrijft Donald Loose hoe Kant zelf eigenlijk als vriend was. 

Na de dood van zijn goed vriend Joseph Green at Immanuel Kant enkel nog iedere middag – zijn enige maaltijd per dag – thuis in gezelschap van goede vrienden. Hij nodigde drie tot vijf gasten aan tafel. Een goed gesprek vereiste minstens zoveel disgenoten als het aantal Gratiën. 

Maar het gezelschap mocht het aantal muzen niet overschrijden. Volgens zijn vriend, leerling en biograaf Ludwig Ernst Borowski hechtte Kant in de keuze van zijn vrienden veel belang aan waarachtigheid, maar verwachtte hij geenszins dat ze zijn overtuigingen of zijn levensstijl deelden. 

Er is maar één thema waarover hij geen tegenspraak duldde: zijn sympathie voor de Franse revolutie. Als dat onverhoeds toch tot meningsverschillen aanleiding gaf, repliceerde hij ‘dat we het daarover niet hadden’ en bracht hij het gesprek steevast met zachte dwang op een ander onderwerp. Gelijkhebberij kon hij van anderen toch al niet verdragen.

Als Kant in een gesprek zelf iets had vermeld waarvan later bleek dat het onjuist was, kwam hij daar altijd op terug om het te corrigeren. Halve waarheden of dubbelzinnigheden kon hij niet uitstaan. Hij was in alles stipt en minutieus, en verwachtte dat ook van zijn vrienden. Veel geduld had hij niet. 

Wijsgerige overtuigingen die van de zijne afweken, nam hij nauwelijks ernstig omdat hij te zeer met zijn eigen werk begaan was. Aan tafel kwam dat overigens zelden ter sprake. Als filosoof van het ware leven in al zijn aspecten was hij nieuwsgierig en leergierig. Schoolse wijsbegeerte interesseerde hem toch al niet en hij viel er ook zijn gasten niet mee lastig. 

Aan tafel was hij niet langer de geëerde professor. Zoals Kant in zijn beschouwingen over de vriendschap heeft bepleit, verkoos hij verscheidenheid in interesses boven gedeelde vakkennis. Het ergste wat hem in het hiernamaals te wachten zou kunnen staan, waren wijsgerige discussies met collega’s. De tafelgesprekken gingen veelal over de politieke actualiteit, fysica, scheikunde en kosmologie.

Vriendenkring

Kant maakte in zijn vriendenkring ook geen onderscheid in stand, rang, leeftijd en geloofsovertuiging. Hij was zijn leven lang zeer gesteld op het gezelschap van jongeren en deed al het mogelijke om hen in hun carrière te steunen. 

Goede raad gaf hij echter meestal slechts in bedekte termen en hij hoedde zich ervoor zich al te opdringerig in andermans aangelegenheden te mengen. Zijn aanbevelingen waren soms zo terughoudend geformuleerd, dat de betrokkene de indruk kreeg dat hij het over iemand anders had. 

Aan derden repte hij nooit over wat hij voor iemand voor elkaar had weten te krijgen. Voor jonge, getalenteerde studenten deed Kant al het mogelijke om hen beroepshalve te helpen. Zo steunde hij Fichte om diens Kritik aller Offenbarung gedrukt te krijgen. 

Conflictsituaties vermeed hij zo veel mogelijk. Hij had een goede vriend wiens vrouw een relatie had met een andere goede vriend. Het liep uit op een scheiding met haar eerste man en ze trouwde met de ander. Kant respecteerde hem evenzeer als haar eerste man. Het nieuwe echtpaar nodigde regelmatig eenieder die iets betekende in Königsberg uit en Kant werd met aandrang ook genodigd. Maar hij is er niet één keer op ingegaan, enerzijds om de vroegere echtgenoot niet te kwetsen, anderzijds om niet de indruk te wekken dat hij het gedrag van zijn andere vriend goedkeurde. 

Retoriek en mooipraterij waren aan Kant niet besteed, maar hij had een grondige klassieke scholing en citeerde graag Latijnse klassieke auteurs (vooral Seneca, maar ook Horatius en Lucretius) om zijn gedachten te larderen met algemeen aanvaarde wijsheden. Hij genoot van de satiren van Erasmus van Rotterdam, waarvan hij beweerde dat ze meer betekenden voor de wereld dan alle metafysische speculaties samen. 

Hoewel hij uitvoerig over het esthetisch smaakoordeel heeft geschreven, waren kunstzinnige gespreksonderwerpen aan tafel uiterst zeldzaam. Muziek genoot hij – tijdgenoot van Mozart! – al helemaal niet. Zijn smaak beperkte zich tot het ritme van de militaire marsmuziek en hij had een hekel aan treurmuziek, die naar zijn overtuiging het verdriet alleen maar groter maakte. 

Fijnproever

Zijn huiskeuken was eenvoudig. Zijn lievelingsgerecht was kabeljauw. Hij gebruikte bij vrijwel alle gerechten door hemzelf bereide mosterd. Hij was verzot op koffie. Toch had Kant onder vrienden de naam een fijnproever te zijn; hij genoot van de verfijnde delicatessen die anderen hem serveerden. 

Hij wist vooral de gastvrouw altijd uitgebreid te loven en het lijkt meer zijn redeneerkunst over verfijnde kookkunst dan het genot van de spijzen zelf geweest te zijn, waardoor men in hem een fijnproever zag. De dames in zijn vriendenkring hoopte hij op die manier blijk te geven van zijn waardering, maar het werd hem ook wel eens euvel geduid dat hij er blijkbaar van uitging dat dit zowat het enige onderwerp was dat ook vrouwen kon boeien. 

In financiële aangelegenheden wilde hij volstrekt onafhankelijk zijn van zijn vrienden, terwijl hij gul en vrijgevig was voor behoeftigen en noodlijdenden. Maar hij wilde zelf bepalen wie dat waren en haatte bedelaars en schooiers die hem lastigvielen. 

Kant was van nature op vriendschap ingesteld en hechtte er bijzonder veel waarde aan. Hij was een echte weldoener voor zijn vrienden. Hij liet hun lievelingsgerechten bereiden als ze op bezoek kwamen, kende hun geliefde gespreksonderwerpen en schikte zich daarnaar. Geleerden die hem als filosoof bezochten, waren altijd verrast dat de man die zo’n strenge leer had geformuleerd, zowel in theoretisch als in praktisch wijsgerig opzicht, in de omgang zo gemoedelijk, toegankelijk en hulpvaardig was. 

In zijn beginjaren als docent liep hij met een zo afgedragen kostuum, dat enkele vrienden hem discreet geld wilden toestoppen voor nieuwe kleren. Op zijn oude dag ging hij er nog prat op dat hij dat destijds had geweigerd en er nog liever berooid maar onafhankelijk bijliep dan dat hij bij iemand in de schuld moest staan. Kortom, onafhankelijkheid en de nood aan selectieve vriendschappen lijken Kant bij uitstek te typeren. 

Dit is een licht bewerkt fragment uit Over vriendschap, de praktische filosofie van Kant van Donald Loose. Het boek staat op de shortlist voor de Socratesbeker, de prijs voor het beste filosofieboek van het afgelopen jaar. De winnaar wordt 21 juni bekendgemaakt. Kurt Kooiman schreef voor Bij Nader Inzien een recensie van het boek. 


Meer:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *