Door Friso Timmenga (Rijksuniversiteit Groningen)

“Geloof jij dat God bestaat?” Het is een vraag waar we allemaal wel eens antwoord op hebben moeten geven. Tenzij je van mening bent dat deze vraag irrationeel (of arationeel) is, ben je waarschijnlijk op zoek gegaan naar redenen om deze vraag met “ja” of met “nee” te beantwoorden. Maar welke redenen vallen er eigenlijk te geven?

Op de hoogte blijven? Volg ons op Twitter, Facebook en Instagram.

Veel atheïsten menen dat je deze vraag met “nee” kunt beantwoorden zonder redenen te geven. Het is immers aan de gelovige om te bewijzen dat God bestaat en niet aan de atheïst om het tegenovergestelde te doen. Toch is deze verdeling van de bewijslast volgens Emanuel Rutten onhoudbaar. Volgens hem gaat de atheïst namelijk voorbij aan de vele argumenten die er te geven zijn voor het bestaan van God. In zijn nieuwe boek, Datgene waarboven niets groters gedacht kan worden, presenteert hij er acht.

Bewijs

Voordat Rutten zijn argumenten presenteert, benadrukt hij dat hij niet van plan is om het bestaan van God te bewijzen. “Bewijzen doen we namelijk in de wiskunde en niet in de filosofie”, zo schrijft hij terecht. Het is, kortom, niet Ruttens bedoeling om een onwrikbare zekerheid in de lezer te planten. Hij wil slechts duidelijk maken dat er overtuigende argumenten aan te voeren zijn om aan te nemen dat God bestaat.

Ik vreesde dat mij nog zeven hoofdstukken formele logica te wachten stonden

God moet hier niet alleen begrepen worden als de absolute grond en oorsprong van de wereld, maar ook als persoon. Met deze definitie zoekt Rutten aansluiting bij de Joods-Christelijke traditie, die God ziet als een bewust wezen. Daarmee legt hij de lat voor zichzelf aanzienlijk hoger en kon ik niet wachten om mijn tanden in het eerste argument te zetten!

Dat bleek taaie koek. Rutten begon met een begrippenlijst die ik mij eigen moest maken om het argument te kunnen volgen. Met een intrigerend Godsargument in het vooruitzicht verdiepte ik mij dus in termen zoals ‘mereologisch atoom’, ‘ontologisch voorafgaan aan’ en ‘strikt deel’. Rutten presenteerde zijn premissen en leidde er zijn conclusie uit af. Helaas moet ik bekennen dat ik niet alle technische nuances heb kunnen meekrijgen.

Op dat moment vreesde ik dat mij nog zeven hoofdstukken vol formele logica te wachten stonden. Gelukkig stelde de titel van het tweede hoofdstuk (“Historische waarheden, kosmische stilte en menselijke waardigheid”) mij gerust. En inderdaad: de hoofdstukken die volgden waren een stuk beter te verteren.

Vrije geest

Rutten laat in zijn boek vrijwel geen enkel filosofisch vakgebied onbesproken. Hij analyseert onze ervaringen van het sublieme en van moraliteit, hij bespreekt inzichten uit de retorica, en behandelt zijdelings ook nog de vraag hoe we eigenlijk zinvol kunnen spreken over eenhoorns. Keer op keer laat hij zien dat diepe reflectie op allerhande filosofische onderwerpen wijst in de richting van een persoon genaamd God.

Alomvattende uitspraken zoals “alles is materie” zijn noodzakelijk onwaar

Om je een idee te geven van zo’n argument, vat ik het argument in het vierde hoofdstuk kort samen. Rutten begint met de constatering dat alles zijn tegendeel heeft: zonder dag geen nacht en zonder zwart geen wit. Dit betekent dat alomvattende uitspraken zoals “alles is materie” noodzakelijk onwaar zijn. Immers, als alles uit materie bestaat, dan heeft ‘materie’ geen tegendeel.

Volgens Rutten volgt hieruit dat de wereld noodzakelijk dualistisch is. Dit houdt in dat het zijn niet alleen bestaat uit de veelheid van gedetermineerde materie in de wereld om ons heen, maar ook uit datgene wat daaraan tegengesteld is: een geestelijke eenheid die vrij is. En is een dergelijke vrije geest niet precies datgene wat wij onder ‘persoon’ verstaan?

Redelijkheid

Er valt uiteraard het een en ander af te dingen op dit argument. Toch staat Rutten met zijn differentie-argument, zoals hij zelf toegeeft, in een traditie die teruggaat op de Duitse filosoof Hegel. Dit verandert strikt genomen natuurlijk niets aan de kracht van zijn argument. Wel laat het zien dat veel filosofen het argument kennelijk intuïtief aantrekkelijk vinden.

Wat is redelijkheid eigenlijk precies?

Toch is het kernbegrip van Ruttens boek niet intuïtie, maar redelijkheid: geloven dat God bestaat is redelijk. Maar wat is dat eigenlijk, redelijkheid? Hoewel Rutten aanvankelijk tamelijk onproblematisch gebruik maakt van dit begrip, beargumenteert hij in het zesde hoofdstuk dat wij eigenlijk een ruimer begrip van redelijkheid nodig hebben om de redelijkheid van het geloof te kunnen vatten.

Hij betoogt dat redelijkheid niet alleen cognitief-theoretisch opgevat moet worden, maar ook existentieel-praktisch en esthetisch-affectief. Daarmee bedoelt Rutten dat ons denken niet alleen maar dient tot vaststelling van theoretische feiten, maar ook tot opbouw van een levenswereld die ons in staat stelt ethisch en zinvol te handelen.

Mystiek

We hebben dus een redelijkheid nodig die erkent dat er meer in het leven is dan logische formules, zo wil Rutten maar zeggen. De redelijkheid die dat inziet, komt het bestaan van God al snel op het spoor. Het laat zien hoe Rutten de grenzen van het denken oprekt – sommigen zullen zeggen: die grenzen zelfs overschrijdt.

Verschilt de Godsvraag van de vraag of Sinterklaas bestaat?

Overigens erkent Rutten dat voor veel gelovigen de relatie met God niet zozeer in het teken staat van strikte bewijsvoering, maar juist van gevoel, gemeenschap en mystiek. Toch wil Rutten zich niet tot dat domein beperken, zeker nu hij van mening is dat het bestaan van God redelijk beargumenteerd kan worden.

Maar terwijl Rutten het woord redelijkheid oprekt in het zesde hoofdstuk, blijft er een ander begrip liggen. Wat betekent het woord ‘bestaan’ in de context van God namelijk? De vraag mag als een zinloos gedachtespinsel overkomen, maar hield in de Middeleeuwen de filosofische gemoederen bezig. Valt het bestaan van dit almachtige wezen immers wel te vergelijken met het bestaan van een eenvoudige stoel, of van de pizzeria op de hoek? Verschilt de Godsvraag niet wezenlijk van de vraag of Sinterklaas bestaat?

Terwijl ik Ruttens boek las dacht ik vaak aan de Franse filosoof Jean-Luc Marion, die in zijn boek Dieu sans l’être liet zien dat de vraag of God wel of niet bestaat eigenlijk de verkeerde vraag is. Volgens Marion stijgt God in zijn alomvattendheid immers boven het onderscheid tussen zijn en niet-zijn uit. Kunnen we God, kortom, niet het beste benaderen vanuit de absolute gegevenheid van zijn mysterie?

Loskomen

Ik hoop natuurlijk niet dat dit soort bewierookte termen onze atheïstische lezers hebben weggejaagd. Daarin moet ik dan ook de kracht van de, op het eerste gezicht zo droog lijkende, logische analyses van Rutten erkennen: hij laat namelijk zien dat ook mensen die absoluut niks met religie of geloof hebben, niet om de vraag naar het bestaan van God heen kunnen.

Dat de diepste filosofische vragen vaak in religieuze termen zijn beantwoord, maakt ze niet minder filosofisch

Het is daarbij belangrijk om een onderscheid te maken tussen de God van het Christendom of van de Islam enerzijds, om maar twee voorbeelden te noemen, en de God van de filosofie anderzijds. Zodra het om de eerste God gaat, ben ik het eens met Helen de Cruz wanneer zij schrijft dat religiefilosofie gericht is op een cultuurfenomeen, vergelijkbaar met filosofie van de sport of muziek.

Echter, zodra we het over God in de strikt filosofische zin van het woord hebben, moeten we vragen stellen die tot de diepste vragen van de filosofie behoren. Het feit dat de diepste filosofische vragen eeuwenlang in religieuze termen zijn beantwoord, niet alleen in Europa maar over de hele wereld, betekent niet dat die minder filosofisch van aard zijn.

Daarmee is Datgene waarboven niets groters gedacht kan worden een boek voor iedereen die simpelweg graag fundamenteel nadenkt. De nominatie voor de Socratesbeker 2024 is dan ook meer dan verdiend. Voorlopig komen we niet van God los in de filosofie. Wie Emanuel Ruttens nieuwe boek heeft gelezen, weet waarom.

Friso Timmenga is promovendus aan de Rijksuniversiteit van Groningen.


Vond je dit een goed artikel? Bij Nader Inzien zet zich in voor de verspreiding van serieuze filosofische kennis en analyse. We kunnen het platform draaiende houden dankzij de inzet van vrijwillige auteurs en redacteuren en de steun van lezers zoals jij. Word daarom vriend van BNI of steun ons met een donatie.

Meer:

Volg ons op

TwitterInstagramFacebook

Op de hoogte blijven per mail?

Wanneer wil je een e-mail ontvangen?

Steun ons

Doneer Word vriend