Door Lode Lauwaert ()

Je zit op een zonnig terras rustig wat rond te turen, tot je plots iemand ziet struikelen. De reden? Een tegeltje dat net boven de andere tegels van het voetpad uitsteekt. De strompelende man kijkt natuurlijk achterom, terwijl jijzelf (niet minder natuurlijk) een kleine lach niet kan onderdrukken. Maar waarom brengt de vallende man je aan het lachen? Hoe komt het dat wij om de meeste verscheidene zaken begin te lachen, een fenomeen dat zich uitstrekt over een rijk geschakeerd continuüm: gieren, grinniken, proesten, giechelen, etc. Wat is met andere woorden de betekenis van het lachen?

Het is met deze vraag dat de Franse filosoof Henri Bergson in 1900 zijn Le rire. Essai sur la signification du comique opent. Dat Bergson (zelf een nogal ernstig ogende man) die vraag heeft gesteld, is op zich even verrassend als moedig. Want filosofen hadden tot dan toe over zowel alles geschreven, terwijl ze het lachen nogal stiefmoederlijk hadden behandeld (wellicht omdat de thematiek niet serieus genoeg was). Bergsons antwoord mag je dan wel misschien te speculatief of metafysisch vinden, je kan niet heen om de frivole afwisseling van scherpe onderscheidingen, terloopse uitweidingen en (uiteraard) grappige illustraties. Alleen al daarom is het een boekje dat je eigenlijk graag zelf hadden willen schrijven. En ‘boekje’ is hier wel degelijk op z’n plaats. Want het gaat hier niet over een vuistdik werk, maar over een geheel dat uiteenvalt in drie korte essays. En wat mij betreft getuigt dit van niets anders dan excellent filosofisch vakmanschap.

Dit is een aflevering uit de rubriek ‘Een Kleine Ode Aan’. In ongeveer 250 woorden looft een Nederlandse of Vlaamse auteur een al dan niet vergeten filosofisch pareltje.


Meer:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *