Door Matthé Scholten (Ruhr-Universität Bochum)

Sinds de dood van George Floyd en de internationale opkomst van de Black Lives Matter-beweging is discriminatie het onderwerp van de dag. Nadat Mark Rutte weigerde om racisme en discriminatie in Nederland ‘institutioneel’ te noemen, beschreven correspondenten messcherp wat racisme en discriminatie institutioneel maakt. Maar weten we eigenlijk wel wat racisme en discriminatie is?

Toen ik mezelf deze vraag stelde, verging het me zoals Aurelius Augustinus toen hij zich afvroeg wat tijd is: “Zolang niemand het me vraagt, weet ik het wel. Maar als ik op deze vraag antwoord moet geven, weet ik het niet meer.”

Je zou jezelf er makkelijk van af kunnen maken: discriminatie is het ongelijk behandelen van mensen op basis van generalisaties. En racisme is discriminatie op basis van huidskleur of afkomst.

Maar dan vergeet je dat we mensen voortdurend ongelijk behandelen op basis van generalisaties – en dat we daar doorgaans geen problemen mee hebben.

Zo doet bijvoorbeeld niemand zijn beklag wanneer de ME wel wordt ingezet bij voetbalwedstrijden, maar niet bij punnikkampioenschappen voor 65-plussers. En dat terwijl de overgrote meerderheid van de bezoekers aan voetbalstadions vredelievende burgers zijn en er regelmatig illegale bingo’s worden opgerold.

Weten we eigenlijk wel wat racisme en discriminatie is?

De vraag is dus welke vormen van ongelijke behandeling wel discriminerend zijn, en welke niet.

Meer dan een ongelijke behandeling

Niet elke ongelijke behandeling is discriminatie. Zo hebben veel kroegen en restaurants verschillende, maar toch gelijk uitgeruste en even schone toiletten voor vrouwen en mannen. Als beide toiletten ook nog even druk bezocht zijn, lijken deze kroegen en restaurants evenmin vrouwen als mannen te discrimineren.

Niemand doet zijn beklag wanneer de ME wel wordt ingezet bij voetbalwedstrijden, maar niet bij punnikkampioenschappen voor 65-plussers.

Toch kunnen zulke toiletten redelijkerwijs als discriminerend ervaren worden door mensen die transgender zijn. Als er op de toiletten een strikt man-vrouw onderscheid wordt gemaakt, hebben zij hebben geen sociaal geaccepteerde plek om hun behoefte te doen. Ze worden daardoor buitengesloten.

Dit maakt duidelijk dat ongelijke behandeling alleen discriminatie is wanneer mensen nadeel van die behandeling ondervinden.

Meer dan een slechte behandeling

Tegelijkertijd is niet elke nadelige behandeling discriminerend.

“Waarom kom je mijn bestelling niet opnemen? Ik ben toch een klant!? Dit is discriminerend!”

– “Hoezo?”

“Nou, je behandelt me nadelig!”

– “Inderdaad, dat geef ik toe. Maar ik kan je geruststellen: ik zou ieder ander in jouw plaats net zo slecht behandelen.”

Niet elke ongelijke behandeling is discriminatie.

De ober die zo antwoordt, is natuurlijk een hufter. Maar hij heeft wel een punt: hij heeft niemand gediscrimineerd.

Niet elke slechte behandeling is meteen ook discriminerend. Een slechte behandeling geldt alleen als discriminatie wanneer een persoon op grond van die behandeling een nadeel ten opzichte van anderen ondervindt.

Eigenschappen waaraan je niets kunt doen

Een ander essentieel kenmerk van discriminatie is dat een persoon nadelig behandeld wordt op basis van een bepaalde eigenschap. Voor de hand liggende kandidaten voor de gezochte eigenschappen zijn eigenschappen waaraan je niets kunt doen. Is het niet discriminerend om mensen nadelig te behandelen op basis van hun huidskleur of afkomst omdat mensen niets aan deze eigenschappen kunnen doen?

Ongelijke behandeling is alleen discriminatie wanneer mensen nadeel van die behandeling ondervinden.

Zo simpel is het niet. Bernard Boxill liet zien dat het voor discriminatie niet uit maakt of je wel of niet iets aan de betreffende eigenschap kunt doen.

Enerzijds zou het nog steeds discriminerend zijn om mensen met een donkere huidskleur de toegang tot een club te ontzeggen wanneer er een pil op de markt zou zijn waarmee je je huidskleur kon veranderen. We zijn hier overigens niet op science fiction aangewezen. Een hoofddoek kun je afdoen, en toch het is discriminerend om een vrouw met een hoofddoek de toegang tot een winkel te ontzeggen.

Dat mensen iets aan de betreffende eigenschappen kunnen doen, verandert dus niets aan het discriminerende karakter van de nadelige behandeling.

Anderzijds is het niet discriminerend om mij op basis van mijn natuurlijk gebrek aan atletisch vermogen buiten de selectie van het Nederlands elftal te houden. En dat terwijl ik er al jaren van droom om geselecteerd te worden en niets aan mijn weinig atletische bouw kan doen. Ik word dus nadelig behandeld (Virgil van Dijk wordt wel geselecteerd!) op basis van een eigenschap waaraan ik niets kan doen. En toch lijkt er geen sprake van discriminatie.

Irrelevante eigenschappen

Ik heb het! Je huidskleur bepaalt niet je gedrag in de club en je hoofddoek niet je gedrag in de winkel. Maar je gebrek aan atletisch vermogen bepaalt wel je prestaties op het aankomend EK. Een nadelige behandeling is dus discriminerend wanneer deze plaatsvindt op basis van een irrelevante eigenschap.

Rustig, rustig.

Het hoofd van een afdeling Filosofie bewerkt de leden van de selectiecommissie voor de uitgeschreven vacature van universitair docent zodanig dat de commissie een vriendje van het afdelingshoofd zal aanstellen. Sollicitanten die niet met het afdelingshoofd zijn bevriend zijn, hebben geen schijn van kans.

Voor discriminatie maakt het niet uit of je wel of niet iets aan de betreffende eigenschap kunt doen.

Een deel van de sollicitanten wordt nadelig behandeld op basis van een irrelevante eigenschap die niet in het functieprofiel staat (namelijk, wel of niet bevriend zijn met het afdelingshoofd). En toch noem je dit vriendjespolitiek en geen discriminatie.

Een lid van een andere selectiecommissie gooit de helft van de stapel ingezonden sollicitatiebrieven in de prullenbak.

“Waarom doe je dat?” vraagt een collega.

– “Mensen zonder geluk kunnen we niet gebruiken.”

Ook dat is niet discriminerend. Hooguit dom – of grappig.

In beide voorbeelden wordt een bepaalde groep mensen nadelig behandeld op basis van een irrelevante eigenschap. En toch is er in geen van beide voorbeelden sprake van discriminatie. Niet iedere nadelige behandeling op basis van een irrelevante eigenschap is dus discriminerend.

Het niet discriminerend om mij op basis van mijn natuurlijk gebrek aan atletisch vermogen buiten de selectie van het Nederlands elftal te houden.

Anderzijds zijn er situaties denkbaar waarin een eigenschap als huidskleur niet irrelevant is, maar een nadelige behandeling op basis van deze eigenschap wel als discriminerend gekenmerkt moet worden.

Een voorbeeld: in een perfect competitieve markt moeten bedrijven hun winst maximaliseren om in business te blijven. Als ze hun winst niet maximaliseren, worden ze weggeconcurreerd en gaan ze failliet. Stel je voor dat klanten in een bepaalde samenleving impliciete vooroordelen hebben ten aanzien van zwarte winkelbedienden. Stel je ook nog eens voor dat uit empirisch onderzoek blijkt dat zwarte winkelbedienden daardoor minder kleding verkopen dan witte winkelbedienden.

De eigenaar van een winkel redeneert als volgt: “Ik vind die vooroordelen ten aanzien van zwarte winkelbedienden verschrikkelijk. En bovendien verwerp ik iedere vorm van racisme en discriminatie. Maar empirisch onderzoek toont aan dat de huidskleur van mijn winkelbediende relevant is voor mijn verkoopcijfers en mijn winst. En als ik mijn winst niet maximaliseer, dan kan ik mijn bedrijf opdoeken. Ik neem het hebben van een witte huidskleur niet op in het functieprofiel, maar uiteraard weet ik wel welke sollicitanten een echte kans maken.”

Niet iedere nadelige behandeling op basis van een irrelevante eigenschap is discriminerend.

De gedachte dat veel bedrijfseigenaren en managers in Nederland zo redeneren is niet onrealistisch.

De winkeleigenaar in het beschreven voorbeeld behandelt een deel van de sollicitanten weliswaar nadelig, maar niet op basis van een irrelevante eigenschap. Het hebben van een donkere huidskleur is onder de gemaakte aannames immers relevant voor het maximaliseren van de winst en het voortbestaan van de winkel. En toch lijkt de winkeleigenaar overduidelijk zwarte sollicitanten te discrimineren.

Of je nadelig behandeld wordt op basis van een relevante of een irrelevante eigenschap maakt dus niets uit voor de vraag of je gediscrimineerd wordt of niet.

Opvallende sociale groepen

De filosofen Andrew Altman en Kasper Lippert-Rasmussen beargumenteren dat een nadelige behandeling discriminerend is wanneer zij plaatsvindt enkel en alleen omdat de persoon in kwestie waargenomen wordt als onderdeel van een ‘opvallende’ sociale groep. Volgens Lippert-Rasmussen is een sociale groep opvallend wanneer andermans waarneming van jouw lidmaatschap in de groep als belangrijk wordt gezien voor een reeks aan sociale interacties in verschillende domeinen van het leven.

Eigenschappen als de lengte van je armen of de grootte van je oren zijn niet sociaal opvallend in deze zin. Zeker, je armlengte wordt als een belangrijke eigenschap gezien wanneer iemand in de supermarkt je vraagt een blik bonen van het bovenste schap aan te reiken. Maar in andere domeinen van het leven speelt deze eigenschap nauwelijks een rol.

Hetzelfde geldt voor het al dan niet hebben van het nummer acht in je geboortedatum. Niet verwonderlijk dan ook dat Vincent Tan, eigenaar van voetbalclub Cardiff City, niet van discriminatie werd beticht vanwege zijn plan om alleen spelers met het nummer acht in hun geboortedatum te contracteren.

Weliswaar ondervinden spelers zonder het nummer acht in hun geboortedatum nadeel van dit plan, maar het al dan niet hebben van het nummer acht in je geboortedatum wordt niet als belangrijk gezien voor een reeks aan sociale interacties.

Wat zijn dan wel opvallende sociale groepen? Het lijkt aannemelijk dat bijvoorbeeld vrouwen een opvallende sociale groep vormen.

Het is immers goed voorstelbaar dat zelfs in een samenleving waarin vrouwen niet gediscrimineerd worden, vrouw-zijn als een belangrijke eigenschap in een reeks aan sociale interacties wordt gezien: mannen groeten vrouwen bijvoorbeeld door ze te kussen in plaats van ze een hand te geven, bieden hen aan hun zware bagage te dragen en drukken zich misschien genuanceerder uit in vrouwelijk dan in mannelijk gezelschap.

Het al dan niet hebben van het nummer acht in je geboortedatum wordt niet als belangrijk gezien voor een reeks aan sociale interacties.

Mensenrechtendocumenten zoals het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten geven de volgende lijst: “ras, kleur, geslacht, taal, religie, politieke of andere mening, nationale of sociale afkomst, eigendom, geboorte of andere status.” Inderdaad lijken zulke eigenschappen in onze samenleving als belangrijk te worden gezien in een reeks aan sociale interacties.

Samen met mijn collega’s heb ik beargumenteerd dat ook het hebben van een psychische stoornis in deze lijst opgenomen zou moeten worden (zie “verder lezen”). Onderzoek toont bijvoorbeeld aan dat mensen liever niet naast een persoon met een psychische stoornis wonen en dat werkgevers liever een ex-gevangene dan een persoon met een psychische stoornis aanstellen. Blijkbaar wordt het hebben van een psychische stoornis als belangrijk gezien voor een reeks aan sociale interacties in verschillende domeinen van het leven.

Een definitie van discriminatie

Aan de hand van de verschillende voorbeelden heb ik geprobeerd expliciet te maken wat ik wist van discriminatie zolang niemand me ernaar vroeg.

Laten we nog even kort nagaan waarop discriminatie van toepassing kan zijn. Dat lijkt eenvoudig: discriminatie kan betrekking hebben op handelingen, gedachtes, uitspraken, beelden, wetten, beleidsregels en praktijken. Met behulp van de theorieën van Altman en Lippert-Rasmussen kunnen we discriminatie en racisme als volgt definiëren:

Discriminatie verwijst naar handelingen, gedachtes, uitspraken, beelden, wetten, beleidsregels of praktijken waarvan personen nadeel ondervinden ten opzichte van andere personen op basis van het feit dat ze worden waargenomen als een onderdeel van een opvallende sociale groep.

En racisme is een specifieke vorm van discriminatie waarbij de betreffende sociale groep gevormd wordt door eigenschappen als huidskleur en afkomst.

Je kunt iemand ook discrimineren als je het niet zo bedoelt

Een belangrijk gevolg van deze definitie is dat discriminatie grotendeels losstaat van de bedoelingen van de persoon die discriminatie wordt aangewreven.

“Zo had ik het niet bedoeld” is geen weerlegging van de stelling dat je iemand hebt gediscrimineerd.

Je bedoelingen zijn slechts in deze zin relevant: om terecht van discriminatie beticht te kunnen worden, moet je een persoon ongelijk behandeld hebben op basis van je overtuiging dat hij of zijn tot een opvallende sociale groep behoort.

Maar vervolgens draait het uitsluitend om de vraag of je die persoon nadelig hebt behandeld ten opzichte van andere personen. Het maakt daarbij niet uit of het ook je bedoeling was de persoon nadelig te behandelen. “Zo had ik het niet bedoeld” is dus geen weerlegging van de stelling dat je iemand hebt gediscrimineerd.

Maar wie bepaalt nu of iemand nadelig behandeld is? Het lijkt zinvol om mensen die zich gediscrimineerd voelen hierin een belangrijke stem te geven. Natuurlijk, mensen kunnen soms lange tenen hebben. Maar gezien ons gebrek aan kennis van de geschiedenis en actualiteit van discriminatie, kunnen we maar beter luisteren naar de persoon die zich gediscrimineerd voelt.

Dat gaat overigens makkelijker wanneer deze persoon niet te hard schreeuwt. Tenzij je doof bent natuurlijk.

Verder lezen

Altman, Andrew. 2020. “Discrimination.” In Stanford Encyclopedia of Philosophy, edited by Edward N. Zalta.

Boxill, Bernard. 1992. Blacks and Social Justice. Lanham: Rowman and Littlefield.

Lippert-Rasmussen, Kasper. 2014. Born Free and Equal? Oxford: Oxford University Press.

Lippert-Rasmussen, Kasper, ed. 2018. The Routledge Handbook of the Ethics of Discrimination. Abingdon: Routledge.

Scholten, Matthé, Jakov Gather, and Jochen Vollmann. in press. “Equality in the informed consent process: Competence to consent, substitute decision-making, and discrimination of persons with mental disorders.”  The Journal of Medicine and Philosophy.


Meer:

4 Comments

  1. “Je bedoelingen zijn slechts in deze zin relevant: om terecht van discriminatie beticht te kunnen worden, moet je een persoon ongelijk behandeld hebben op basis van je overtuiging dat hij of zijn tot een opvallende sociale groep behoort.”

    Dat lijkt mij nogal kort door de bocht. Het gaat om de intentie van de desbetreffende persoon om de ander anders te behandelen, enkel en alleen VANWEGE het feit dat hij of zij tot een bepaalde groep behoort (in diens overtuiging). Het is overtuiging PLUS intentie. Ik kan ook iemand ongelijk behandelen omdat ik een slechte dag heb, terwijl ik tegelijkertijd een bepaalde overtuiging heb die voor mij reden genoeg kan zijn om die persoon anders te behandelen. Maar ik kan, ondanks mijn opvattingen of overtuigingen, iemand ongelijk behandelen op basis van een totaal ander motief (of door een andere oorzaak).

    “Maar vervolgens draait het uitsluitend om de vraag of je die persoon nadelig hebt behandeld ten opzichte van andere personen. Het maakt daarbij niet uit of het ook je bedoeling was de persoon nadelig te behandelen.”

    Niet dus. Het maakt wél uit. Racisme is niet “in the eye of the beholder”, maar “in the mind of the perpetrator”. Intentionaliteit is een noodzakelijk én voldoende voorwaarde voor racisme en discriminatie, ongeacht de eventuele consequenties, en ongeacht het gevoel c.q. de ervaring die het slachtoffer heeft.

  2. Mooi en helder stuk Matthé. Het is denk ik een goede zaak voor iedere partij in deze discussie om na te gaan onder welke voorwaarden men van discriminatie spreekt, en vooral ook onder welke voorwaarde niet.
    Zelf worstel ik met de vraag op wat voor manier we ervoor kunnen zorgen dat het besef van racisme altijd een hoge prioriteit geniet in ons deliberatief proces. Bedankt voor dit stuk, het heeft mij in ieder geval weer aangezet tot nadenken.

  3. Prachtig stuk dat aanzet tot nadenken over het begrip discriminatie. Lezend over de winkeleigenaren mogen we constateren dat Sylvana Simons een punt heeft als ze zegt dat er in Nederland nog steeds wordt gediscrimineerd. Opmerkelijk ook hoe de argumenten tegen Zwarte Piet intellectueel zijn en de de argumenten vóór Zwarte Piet uit de onderbuik komen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *