Door Josette Daemen (Promovendus Leiden University)

Eind vorige maand werden er veertig stellingen op de poort van de academie gespijkerd. In het pamflet betogen drie vooraanstaande wetenschappers dat het roer nu echt om moet aan de Nederlandse universiteiten. Hun boodschap is even zorgelijk als hoopvol: “een andere universiteit is noodzakelijk en mogelijk”.

Het manifest, getiteld 40 stellingen over de wetenschap, is geschreven door hoogleraren Rens Bod (Universiteit van Amsterdam), Remco Breuker (Universiteit Leiden), en Ingrid Robeyns (Universiteit Utrecht). Al een hele poos zetten zij zich in voor WOinActie, een landelijke protestbeweging van academici en studenten, die vorig jaar al flink van zich liet horen bij de nationale onderwijsstaking op het Malieveld en bij de ‘alternatieve opening van het academisch jaar’ in Leiden.

Pittige stellingen

Het boek – want zo mag het bijna honderd pagina’s tellende manifest best genoemd worden – is bijzonder leesbaar. Dat komt in de eerste plaats door de opbouw: niet één lang betoog, maar veertig korte stellingen. In de tweede plaats door de taal: geen droog beleidsjargon, maar heldere formuleringen. En tot slot door de inhoud: controverse wordt niet geschuwd – getuige pittige stellingen als “de extreme hiërarchie aan de universiteit faciliteert sociale onveiligheid” en “hogescholen verdienen de status van universiteit”. 

Controverse wordt niet geschuwd – getuige pittige stellingen als “hogescholen verdienen de status van universiteit”

Zeer zeker is het boek een aanrader om te lezen. Voor wetenschappers en studenten, die expliciet worden aangespoord om te protesteren (“wie zwijgt, stemt toe”). Voor bestuurders en politici, die worden opgeroepen om de problemen in het wetenschappelijk onderwijs nu eindelijk eens écht aan te pakken. 

Maar ook voor de maatschappelijk geëngageerde en/of filosofisch angehauchte mens die niet tot een van die categorieën behoort, want het boek bevat interessante inzichten over de waarde van kennis, wetenschap, en universiteit—en de functie die zij vervullen in de samenleving.

De fundamenten, de problemen, de oplossingen

Aan die fundamentele thema’s is het eerste deel van het boek gewijd. De universiteit, zo stellen de schrijvers, heeft drie kerntaken: het doen van onafhankelijk onderzoek, het verzorgen van onafhankelijk onderwijs, en het leveren van maatschappelijke diensten op basis van onafhankelijk wetenschappelijk inzicht. 

Academisch onderzoek hebben we nodig voor betrouwbare kennis, academisch onderwijs levert ons goed opgeleide artsen en rechters en ingenieurs, en via outreach worden wetenschappelijke inzichten voor iedereen toegankelijk gemaakt.

Om die kerntaken te vervullen, brengt de universiteit drie vormen van kennis voort: nieuwsgierigheidsgedreven, probleemoplossende, en kritische. Nieuwsgierigheidsgedreven kennis is waardevol op zichzelf: weinig is er mooier dan de mens die op eigen hersenkracht een mysterie ontrafelt waarmee de wereld ons confronteert. Probleemoplossende kennis is van instrumentele waarde: door te onderzoeken hoe armoede kan worden bestreden, hoe ziektes kunnen worden genezen, hoe biodiversiteit kan worden behouden, komen we tot innovaties die ons leven kunnen verbeteren. Kritische kennis, tot slot, is als een spiegel voor de samenleving: waar zijn we nou eigenlijk mee bezig? Gaan we wel de goede kant op? 

Na deze zeer verhelderende uiteenzetting over de rol van de wetenschap in de samenleving, volgt echter een minder vrolijke boodschap: de kwaliteit van het academisch onderzoek en onderwijs in Nederland staat steeds meer onder druk. 

Het onderzoek blijft achter, wetenschappers werken zichzelf over de kop, en studenten krijgen niet de begeleiding die ze verdienen

De problemen waar de schrijvers op wijzen zijn talrijk. Het begint allemaal met structurele onderfinanciering van de universiteit. Terwijl het aantal studenten sinds 2000 met 68% is gegroeid, is de rijksbijdrage per student met 25% gedaald. En omdat financiering afhankelijk is van fluctuerende aantallen studenten, vermijdt de universiteit vaste contracten voor onderwijspersoneel zo veel mogelijk – docenten leven veelal van tijdelijk contract naar tijdelijk contract.

Onderzoekstijd binnen een universitair contract is meestal beperkt en soms zelfs geheel afwezig. Onderzoeksgeld moet veelal bevochten worden in een keiharde competitie waarbij uiteindelijk slechts 10% van de aanvragers een beurs weet te bemachtigen – studies van nieuwsgierigheidsgedreven of kritische aard maken het minste kans.

De gevolgen: het onderzoek blijft achter, wetenschappers werken zichzelf over de kop, en studenten krijgen niet de begeleiding die ze verdienen.

Maar geld is niet het enige probleem. Binnen de universiteit wijzen de schrijvers onder meer op extreme hiërarchie, ondemocratisch bestuur, en gebrek aan zeggenschap van promovendi over hun onderzoeksonderwerp en begeleiding. Daarbuiten signaleren ze “autoritaire politieke stromingen die kritische kennis proberen te elimineren” en “groeiende inmenging van entiteiten zoals nationale overheden, multinationals en instellingen in onderzoeksfinanciering” – concrete voorbeelden worden hier niet genoemd; des te meer wordt de nieuwsgierigheid van de lezer gewekt.

Je kan rustig stellen dat Bod, Breukers, en Robeyns de noodklok luiden – maar wanhopen doen ze niet. Het tij kan nog gekeerd worden. De schrijvers dragen tal van concrete ideeën aan om de beschreven problemen op te lossen. Vanzelfsprekend wordt het pamflet hier het meest controversieel.

Uiteraard willen ze een verhoging van de overheidsbijdrage voor universiteiten. Daarnaast betogen ze dat iedereen die onderwijs geeft aan de universiteit ook onderzoek zou moeten doen, en daarvoor in ieder geval een vast basisbedrag beschikbaar zou moeten krijgen. Ook bepleiten ze de terugkomst van de academische senaat, een gekozen vertegenwoordiging van wetenschappers, studenten, en ondersteuners, waaraan universitaire bestuurders verantwoording moeten afleggen. En ze stellen voor dat promovendi voortaan zelf een onderzoeksbeurs verwerven voor een zelfbedacht project bij zelfgekozen begeleiders.

Onbeantwoorde vragen

Sommige voorstellen roepen vragen op die onbeantwoord blijven. Hoe realistisch is het dat wetenschappers én een grotere rol krijgen bij het besturen van de universiteit, én meer tijd overhouden voor onderzoek en onderwijs? Als hogescholen ook de status van universiteit krijgen, zoals de schrijvers opperen, komt dan niet de verknoping van onderzoek en onderwijs in gevaar, die ze juist zo belangrijk achten? 

Ook wordt er in het manifest opvallend genoeg niet gerept over een ontwikkeling die mijzelf als jonge wetenschapper de nodige stress oplevert: de verregaande internationalisering van de academische arbeidsmarkt. 

Moeten we in Nederland geen voorbeeld nemen aan Canada, waar universiteiten bij werving van nieuw personeel de voorkeur dienen te geven aan kandidaten uit eigen land?

Waar mijn studievrienden, met carrières in de ambtenarij, de journalistiek, of het bedrijfsleven, de competitie aan moeten gaan met de beste ambtenaren, journalisten, en bedrijfsmensen van het land, moet ik om de schaarse banen aan Nederlandse universiteiten strijden met de beste wetenschappers van de wereld. 

De universiteit selecteert namelijk puur op wetenschappelijke verdienste. Toegegeven, Nederlandse taalvaardigheid is vaak een pré, maar het maakt niet uit of nieuwe medewerkers van ver moeten verhuizen om in ons land aan de slag te gaan – sterker nog: het strekt juist tot aanbeveling wanneer iemand moet overkomen uit Harvard of de Australian National University, want die universiteiten vinden we natuurlijk nog net iets gaver dan onze eigen. 

Het gevolg van die geïnternationaliseerde banenmarkt: wetenschappers zien zich gedwongen om elke paar jaar hun boeltje bij elkaar te pakken – inclusief, of juist met achterlating van, partner/kind/huisdier – om de wereld over te vliegen voor weer een nieuwe positie, in weer een vreemd land, voor weer een onbepaalde (of, erger nog: bepaalde) tijd. 

Of: niet bereid om zo’n ontworteld bestaan te leiden, keren ze de academische wereld de rug toe, al hun talenten en motivatie ten spijt. Moeten we in Nederland geen voorbeeld nemen aan Canada, waar universiteiten bij werving van nieuw personeel prioriteit dienen te geven aan kandidaten uit eigen land? 

Tijd voor discussie

Ik gooi maar een balletje op – en geef daarmee gelijk gehoor aan de oproep van Bod, Breukers, en Robeyns om met elkaar in discussie te gaan over wat er beter kan op de universiteit. Zoals de schrijvers ook suggereren, is daarover het laatste woord nog niet gezegd. Het manifest vormt een mooie aanleiding om dat gesprek aan te gaan.

40 stellingen over de wetenschap is niet alleen een gloedvol betoog voor de waarde van academisch onderzoek, onderwijs, en outreach; van fundamentele, kritische, en probleemoplossende kennis – maar het is ook zelf een mooi voorbeeld van precies deze functies en kennisvormen. 

Het boek helpt lezers de wetenschap op waarde te schatten. Hopelijk leert het leiders de wetenschap dan ook te beschermen.


Meer:

3 Comments

  1. zoals reeds elders gepubliceerd:

    Wat een beleidsarmoede dat hoogleraren en docenten zich zo lang al moeten beklagen over hun werksituatie in de universiteiten.
    Wat een misvatting van de politiek om de kurken waarop onze maatschappij zal moeten drijven: kennis, kennisoverdracht en onderzoek, zo uit te knijpen en dit geheel louter als kosten te zien.
    Wat een debacle van verkeerde prioriteiten, waarbij belastingopbrengsten van grote ondernemingen en vermogens over tientallen jaren bewust worden geminimaliseerd en investeringen in o.a. onderwijs stelselmatig worden verlaagd.
    De universiteiten lijden onder de reeds jaren achterhaalde doelstelling van de kleine overheid. Waardoor zij ook nog eens gedwongen worden hun kennis te verkwanselen aan het bedrijfsleven, die ermee aan de haal gaat.
    Ik zie maar één oplossing:
    Universiteiten dienen gezamenlijk een nieuw concept te ontwikkelen hoe de sector zich dient te organiseren, functioneren, budgetteren en financieren voor een hoog kennisrendement en koplopersposities in de wereld. En tot de acceptatie van dit gezamenlijke model, wordt er gewoon niet meer gewerkt. Stop er eens mee netjes te blijven en laat je tanden zien. Wie neemt de leiding?

  2. “Als hogescholen ook de status van universiteit krijgen, zoals de schrijvers opperen, komt dan niet de verknoping van onderzoek en onderwijs in gevaar, die ze juist zo belangrijk achten?”

    De schrijver van dit stuk heeft duidelijk geen flauw idee in welke mate onderzoek en onderwijs zijn verweven op menig hogeschool in Nederland. Ironisch eigenlijk.

  3. De universiteit bestaat al lang niet meer. Ze is vervallen tot een verlengde middelbare school. De rituele restanten zijn de hogepriesters in lange jurken met dikke salarissen die hun hobby uitoefenen: netwerken en projectvoorstellen schrijven en elkaar de vliegen afvangen in voetnoten bij Plato en Aristoteles. Het zijn de meesters en meesteressen die hun AiOs het werk laten doen: publiceren en onderwijs geven. Slechte managers vaak. Lesgeven wordt slecht gewaardeerd ook al is het de primaire taak van de school om les te geven, om leerlingen te begeleiden. Ik heb met veel plezier 40 jaar aan de Univ gewerkt en het niveau van de studenten zien kelderen. Kan ook niet anders als er zoveel meer mensen naar de universiteit gaan en deze gericht is op het erdoor jassen van zoveel mogelijk studenten door middel van groepsopdrachten en compensatieregels. De schoolse opleiding is verengt tot een subspecialisme; de breedte in de opleiding, zoals die bij een 2-jarige propedeuse was, ontbreekt totaal. We moeten naar een herwaardering van het handwerk; de ambachtschool in plaats van het ophemelen van de universiteiten. De echte kennis zit in de praktijk, in de sociale omgang met anderen, niet in een masteropleiding communicatiewetenschappen of psychologie. Dat is de basis van de wetenschap. De universiteit zweeft en moet terug naar de basis.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *