Door Govert den Hartogh (Emeritus hoogleraar, Universiteit van Amsterdam)

Illustratie: Wies Tesselaar

In de discussie over verwerpelijke praktijken uit het verleden zoals de slavernij gaan we er doorgaans van uit dat we de mensen die zich aan die praktijken schuldig maakten daarvoor moeten veroordelen. Daarom is het de vraag of we ze nog wel moeten eren met straatnamen en standbeelden. Het idee dat hen niets te verwijten valt is ‘moreel relativisme’, en dat is een standpunt dat inmiddels zelf algemeen als verwerpelijk geldt.

Op de hoogte blijven? Volg ons op Twitter, Facebook en Instagram.

Geen punt van debat

Wat de slavernij betreft is het goed eens niet naar de moderne tijd te kijken, maar naar de oudheid. Bij de Grieken en Romeinen was het algemeen aanvaard dat sommige mensen het juridische eigendom waren van anderen. Slaven werden vooral ingezet voor huishoudelijk werk, maar in delen van Griekenland en later Italië dreef ook de landbouw op hun arbeidskracht, net als de mijnbouw en zelfs de scheepvaart.

Zelfs voor filosofen was het een zeldzaamheid om over slavernij na te denken

Dat slavernij algemeen aanvaard was, betekent niet dat iedereen daar een voorstander van was. Het was eenvoudig geen issue, geen onderwerp van debat, maar een vanzelfsprekend gegeven. Zelfs bij de schaarse opstanden van slaven was de inzet niet om de institutie af te schaffen maar om het lot van de slaven te verbeteren.

Zelfs voor filosofen was het een zeldzaamheid om over slavernij na te denken. Aristoteles was van mening dat sommige mensen bepaalde capaciteiten missen zoals het vermogen om verstandige beslissingen te nemen. Voor zulke mensen is het beter dat ze die beslissingen ook niet hoeven nemen maar gewoon bevelen kunnen opvolgen.

Aristoteles wist heel goed dat er in feite veel slaven zijn die niet tot deze groep van ‘natuurlijke slaven’ behoorden, maar bijvoorbeeld buitgemaakt waren in een oorlog. Dat was onrechtvaardig, maar de onrechtvaardigheid zat hem niet in de institutie zelf.

Je bent een slaaf als je je opwindt over slavernij

In de filosofie van de Stoa werd deze gedachte van de natuurlijke ongelijkheid tussen mensen verworpen. Alle mensen zijn gelijk omdat ze zich niet zoals de dieren door hun onmiddellijke reacties op indrukken laten leiden, maar erover na kunnen denken of die reacties wel de juiste zijn.

Voor een Stoïcijn als Epictetus behoorde de slavernij tot de externe wereld die is zoals hij is

Die fundamentele gelijkheid heeft ook praktische betekenis: mensen moeten inzien dat ze ten diepste met elkaar verwant zijn en daarom begaan zijn met elkaars lot. Daarom moet je ook je slaven goed behandelen en is het een mooi gebaar om hen vrij te laten.

Maar ook voor een Stoïcijn als Epictetus, zelf een vrijgelaten slaaf, behoorde de slavernij, net als armoede en ziekte, tot de externe wereld die is zoals hij is. Het heeft geen enkele zin die te willen veranderen. De wijze weet dat hij alleen greep heeft op zijn innerlijke wereld.

Als de Stoïcijnen het woord ‘slaaf’ in negatieve zin gebruiken is dat dan ook meestal als metafoor voor mensen die zich laten regeren door hun emotionele reacties op zaken waar zij toch niets aan kunnen doen. In die zin ben je een slaaf als je je opwindt over de slavernij.

Alleen gelijk voor God

Iets soortgelijks geldt ook voor de vroege christenen, zoals blijkt uit de brieven van de apostel Paulus. Alle mensen zijn naar het beeld van God geschapen en daarom gelijk, in het bijzonder gelijk voor God, en binnen de kerkelijke gemeenschap broeders en zusters in Christus. Meesters van slaven moeten zich van die gelijkheid bewust zijn en daarom hun slaven fatsoenlijk behandelen.

Tien eeuwen lang heeft niemand de morele aanvaardbaarheid van slavernij in twijfel getrokken

Maar die gelijkheid speelt alleen op geestelijk niveau en heeft geen juridische betekenis. Slaven hebben net als ieder ander een taak in het leven die hun door God is opgelegd, en door hun meesters te gehoorzamen dienen zij uiteindelijk God door wie zij daarvoor ook beloond zullen worden.

Het is pas aan het eind van de vierde eeuw na Christus dat een christelijke theoloog, de Cappadocische kerkvader Gregorius van Nyssa, formuleringen gebruikt die kritiek op de slavernij als zodanig impliceren.

Het is volgens hem een vorm van onvergeeflijke arrogantie om te denken dat je de meester kunt zijn van een wezen dat dezelfde goddelijke opdracht heeft gekregen als jij om de Schepping te onderhouden. Maar zelfs Gregorius trok niet de conclusie dat de slavernij afgeschaft moest worden.

Oordelen over onze voorgangers

Kunnen we uit deze feiten iets leren over moreel relativisme? Tien eeuwen lang heeft niemand in deze cultuur de morele aanvaardbaarheid van slavernij in twijfel getrokken. Dat bewijst niet dat er toen niets mis was met slavernij: misschien was iedereen blind voor de morele waarheid. Maar het zou ook kunnen dat de morele waarheid gebonden is aan tijd en plaats.

Had iemand in die tijd kunnen weten dat slaven houden niet deugt? Dat is niet ondenkbaar: in het denken van de Stoa en het vroege christendom is het zaadje geplant dat nu, vele eeuwen later, is uitgegroeid tot de algemene overtuiging van de gelijkwaardigheid van alle mensen. Misschien hadden ze toch eerder op dat idee kunnen komen. Maar waarschijnlijk lag het idee simpelweg buiten hun horizon.

Wij hebben makkelijk praten

Zo roept het fundamentele verschil in denken tussen hen en ons vragen op: wat is de aard van de morele waarheid, en hoe kunnen we die kennen? Misschien is er toch iets voor het morele relativisme te zeggen.

Maar ook als we het blijven afwijzen staat één ding vast: wij hebben makkelijk praten. Het zou nergens op slaan om het Epictetus en Paulus, laat staan gewone mensen uit hun tijd, kwalijk te nemen dat zij nog niet tot beter inzicht gekomen waren.

Als we het over de tijd van onze ‘gouden eeuw’ hebben ligt dit allemaal ingewikkelder. Er was toen, na eeuwen waarin er binnen het christendom geen ruimte bestond voor slavernij, sprake van morele terugval.

We kunnen het een filosoof als John Locke misschien wel verwijten dat hij eerst beweerde dat alle mensen met gelijke rechten zijn geboren, en vervolgens de slavernij met allerlei kromme redeneringen probeerde goed te praten. Maar het wordt dan toch weer anders als we de opvattingen en gedragingen beoordelen van gewone mensen die leefden in een maatschappij waarin slavernij weer heel gewoon was.

Van één van de beroemdste Stoïcijnse filosofen, keizer Marcus Aurelius, staat het bronzen ruiterstandbeeld (eigenlijk een kopie daarvan) nog steeds op de Capitolijnse heuvel in Rome. Marcus Aurelius geloofde in de fundamentele gelijkheid van alle mensen, maar daarnaast ook in de noodzaak van hiërarchie: capabele mensen moeten heersen over minder capabele. Ook voor hem was de slavernij geen onderwerp van discussie.

Moeten we dat standbeeld daarom nu maar weghalen?

Verder lezen en kijken

Garnsey, P. (1996). Ideas of Slavery from Aristotle to Augustine. New York: Cambridge University Press.

Velleman, J.D. (2015). Foundations for Moral Relativism. Cambridge, UK: Open Book Publishers. Online toegankelijk. Verdediging van het morele relativisme door een Kantiaanse denker.

Cees Maris & Ab Gietelink, Wij verlangen onze vrijheid (2013, YouTube). Filosofisch theater, o.m. over Lockes opvattingen over slavernij.

Vond je dit een goed artikel? Bij Nader Inzien zet zich in voor de verspreiding van serieuze filosofische kennis en analyse. We kunnen het platform draaiende houden dankzij de inzet van vrijwillige auteurs en redacteuren en de steun van lezers zoals jij. Word daarom vriend van BNI of steun ons met een donatie.

Meer:

3 Comments

  1. De meeste , machthebbers met een standbeeld zullen wel ergens een mens ( vrouw) al of niet met (vrijwillige) instemming (mis)gebruikt hebben ! als we al deze standbeelden verwijderen zullen er niet veel meer blijven bestaan. Ook beelden van religieuze aard zouden hieronder kunnen vallen. Voorbeeld : een schilderij van een pedofiel persoon, macht corrumpeert denk ik dan .
    Een stoa- aanpak lijkt mij niet totaal uit den boze!

  2. Goed vraagstuk met makkelijk antwoord. Waarden en normen zijn tijdsgebonden en veranderlijk als de wind. Het is daarom alleen voor de tijd waarin het vergelijk gemaakt wordt van belang. Het is ook al ontelbare keren gebeurd dat de helden van toen de duivels van nu worden. Dat gebeurt zelfs binnen een generatie. Laat het verleden zijn wat het was in haar stralende context en gebruik de tot nu toe uit die tijd gekoesterde symbolen tot nut van het heden en toekomst of niet…

  3. Je zou kunnen concluderen: slavernij zit in de mens. Net als de vele zich onder het recent opgebouwde beschavingslaagje zittende aspecten van de oermens. Zoals oorlog voeren, territoriumdrift, hebzucht, agressie, machtswellust, haat, ontbreken van schaamte, vanzelfsprekendheid van honger en armoede, grote welvaartsverschillen en welzijnsverschillen, kuddegedrag, lang accepteren van grensoverschrijdend groepsgedrag, het laten uitsterven van dier- en plantensoorten door menselijk handelen.
    Dat wij nu in grote delen van de wereld vormen van beschaving hebben en beschaafd gedrag vertonen, wil niet zeggen dat dit voor iedereen geldt. Sterker nog: bovengenoemde zeer oude fenomenen komen nog dagelijks voor, op grote schaal.
    Zo zijn ook het uitbuiten van werkers, het bewust schaden van milieu en klimaat, het misleiden van consumenten etc. vergelijkbare actuele onbeschaafdheden, zelfs misdaden tegen de menselijkheid, als slavernij.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *