Door Emma Krone (researchmasterstudent filosofie aan de Radboud Universiteit)

Thuiswerken is onderdeel van het ‘nieuwe normaal’ geworden. Een prima oplossing tegen een woekerend virus, maar werknemers raken er psychisch door in de knoop: al dat werken vanuit de woonkamer leidt tot burn-outs, Zoom-vermoeidheid en telepressure – het gevoel dat je meteen moet reageren op werkmails.

Op de hoogte blijven? Volg ons op Twitter, Facebook en Instagram.

Het debat over het welzijn van werknemers in thuiskantoren draait op volle toeren. Zo moet het wetsvoorstel ‘recht op onbereikbaarheid’ een remedie zijn tegen de toenemende psychische klachten en de steeds sneller vervagende grens tussen privé en publiek. Toch blijft in dit debat een prangende vraag achterwege: is ons huis nog wel ons thuis? Het antwoord vinden we in de filosofie van Gaston Bachelard, en het heeft alles te maken met verbeelding.

Thuis als eerste universum  

Wat ‘huis’ van ‘thuis’ onderscheidt is geen onbelangrijke nuance. Een huis is een fysiek bouwwerk waarin mensen wonen. Maar ‘thuis’ signaleert een plek van veiligheid en gemak. Niet elk huis is een thuis en niet elk thuis is een huis.

Om huis en thuis met elkaar te verenigen, moeten we niet vergeten dat een huis meer is dan een oplaadstation tussen werkuren in. Het is een eigen bestemming: daar waar we de wereld binnentreden als we wakker worden en verblijven als we in diezelfde wereld afgezonderd willen zijn. Het huis biedt ons niet alleen dagelijks onderdak, maar waarborgt ook onze dagdromen, zo stelt de Franse filosoof Gaston Bachelard.

Een huis is meer dan een oplaadstation

Wie in het geheugen graaft naar herinneringen aan het ouderlijk huis, herinnert zich de keldertrap vanaf de bovenkant en de zoldertrap vanaf de voet. De donkere kruipruimte belichaamde onze diepste angsten. Deuren en kastjes die slechts met een sleutel openden, verborgen een geheimzinnig avontuur. Het lichaam ontwijkt nog steeds dezelfde krakende planken in de vloer. We dragen die ervaringen altijd en overal met ons mee.

Net zoals wij in haar verblijven, woont het thuis ook in ons. Thuis is ons eerste universum, onze meest originele manier van bestaan: het leven begint ingesloten tussen muren, warm onder een dak. Voordat de mens de wereld in wordt geworpen, “wordt de mens in de wieg van het huis gelegd”, schrijft Bachelard. Waar we ook naartoe verhuizen, het archetype van het thuis uit onze vroege jeugd blijft in ons sluimeren.

Dat komt omdat herinneringen van ons thuis blijven bestaan in onze dagdromen, en onze dagdromen diezelfde herinneringen vervolgens weer aanvullen. Dat totaalplaatje maakt onze verbeelding tot wat het is: een kracht die continu verbeeldt en zichzelf verrijkt met nieuwe beelden, op zoek naar het evenwicht tussen werkelijkheid en fantasie.

Als we onze dagdromen de deur uit werken, bevinden we ons in een nachtmerrie

Via de verbeelding blijven we in contact met onze eerste ik. In de spiegel veranderen onze rimpels terug in het kinderlijk gejammer en schatergelach waaruit ze zijn ontstaan. Maar die verbinding verbreekt wanneer Google-Hangouts en stapels werk continu onze aandacht opeisen. Het verwonderende kind maakt plaats voor een e-mailadres met een avatar, een pixel in een vergadering of een haperende stem achter de telefoon. Even wegzinken in de fantasie zit er niet in.

Op de momenten dat we geen takenlijst afwerken, kan dat wél. Dagdromen vereist afzondering en veiligheid. We moeten ervoor waken dat we onze dagdromen niet de deur uit werken, anders bevinden we ons al gauw in een nachtmerrie.  

Zeepsop wordt een bubbelbad

In tegenstelling tot het rationele denken, verhoudt de verbeelding zich niet tot objectieve feiten, legt Bachelard uit. Presteren, resultaten boeken, problemen oplossen: daar is de ratio voor. Dagdromen doet ons op een andere manier goed.

Het is de onwerkelijkheid, dat-wat-niet-is, die ons leert wat nog kan zijn. De verbeelding is een creatieve categorie en speelt een cruciale rol in het welzijn van de mens. Het gaat niet om het vormen van nieuwe percepties, maar het vervormen en veranderen daarvan. En dat werkt bevrijdend.

Een verbeelde vakantie ontspant ook

Tijdens de afwas transformeert de wasbak vol zeepsop plots in een bubbelbad waarin het bestek zwemt. Gapend naar het plafond verandert het afgeraffelde plamuurwerk in een berg sneeuw. Een verdwaalde vlieg skiet naar beneden. Deze verbeelde vakantie ontspant zoals een echte reis dat ook kan doen.

Omdat de realiteit niet wordt geconfronteerd, klopt de dagdroom altijd, hoe absurd zijn logica ook is. Sterker nog, de verbeelding functioneert niet op voorbedachte rade of met een specifiek doel in het vizier. Zij stemt ons onmiddellijk gelukkig.

Even niet-zijn

Toch is constant dagdromen geen optie. Wie te veel dagdroomt, verliest zicht op de realiteit en wordt voor gek verklaard. Maar wie zich kapot staart op een werkscherm met vierkante ogen als gevolg, komt in een grijze sleur terecht en danst net zo goed uit de maat.

Om toegang te krijgen tot de vrijheid die de verbeelding biedt, is dus wat structuur nodig. Werken en dagdromen vragen om een nauwkeurig ritme en moeten in balans zijn. En dat vergt twee afzonderlijke ruimtes, zowel in de fysieke wereld als in onszelf.

Want de verbeelding leeft juist op door contrasten, als er ruimte is voor verschil. Zodra het kantoor en de woonkamer samensmelten, is er geen zicht meer op wat anders is of kan zijn. En dat je dan in een sleur komt, is niet gek: welzijn is soms even niet-zijn. Dan kunnen we weer voelen wie we waren en bedenken wie we kunnen gaan worden.

Ver-van-ons-bed-show

Na de opeenstapeling van lockdowns is het verlangen naar buiten steeds groter geworden. Toch is niet alleen de echte wereld, maar ook de onwerkelijkheid onmisbaar voor het menselijk welzijn.

Thuis vindt de dagdromer bescherming van buitenaf

Dus als we ons afvragen of het huis nog wel een thuis is, lijkt het antwoord voor de thuiswerker ‘nee’ te zijn. Zoals we aan een deur kunnen trekken en duwen, opent zij mogelijkheden voor de buitenwereld, en sluit zij ons daar net zo goed veilig van af. Om het thuis veilig te stellen, moeten we de deur dus vaker sluiten. Net zoals het scherm van de laptop.

In de geborgenheid van het huis ebt de zee aan ellende van de buitenwereld langzaam weg. Alleen zo kan onze eigen gedachtestroom rustig verder meanderen. Of het nu gaat om een pandemie, opjagende deadlines of een regenbui. Onbereikbaar en geïsoleerd vindt de dagdromer thuis bescherming van buitenaf.

Het recht op onbereikbaarheid is dus een stap in de goede richting, al gaat er een onvolledig beeld van welzijn achter schuil waarin de kracht van verbeelding ontbreekt. De capaciteit van de mens om in vrijheid zijn verbeelding te gebruiken is een noodzakelijke maatstaf voor onze gezondheid. Laten we die maatstaf dus ook hanteren.

Zolang de eettafel een dubbelrol speelt als bureau is dat voorlopig een ver-van-ons-bed show. Of eigenlijk, een veel-te-dichtbij. 

Verder lezen:

Bachelard, G. (1969). The Poetics of Space. Boston: Beacon Press.

Vond je dit een goed artikel? Bij Nader Inzien zet zich in voor de verspreiding van serieuze filosofische kennis en analyse. We kunnen het platform draaiende houden dankzij de inzet van vrijwillige auteurs en redacteuren en de steun van lezers zoals jij. Word daarom vriend van BNI of steun ons met een donatie.

Meer:

Volg ons op

TwitterInstagramFacebook

Op de hoogte blijven per mail?

Steun ons

Doneer Word vriend

1 Comment

  1. Het is m.i. niet zozeer het thuiswerken maar onvoldoende hebben van verbeeldingskracht en/of het niet kunnen hanteren van verbeeldingskracht en het vormgeven van je eigen leven.
    Veel moderne mensen hebben zicht laten verleiden, misleiden, misvormen door de zielloze consumptie- prestatie- en verslavingsmaatschappij. Alleen diegenen die geleerd hebben sterk in hun schoenen te staan kunnen aan de ondermijning van de complete “Mench” door het neoliberale geachtengoed ontkomen. Ook thuis aan het werk.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *