Door Willem van der Deijl (Universitair docent Tilburg University)

Stel je voor je woont in een villa met een zwembad, je hebt een mooi vakantiehuis in Frankrijk, twee luxueuze auto’s, je kunt vijf keer per jaar op vakantie, en je hebt vijf ton op je rekening staan. Heb je dan genoeg? In andere woorden, is het dan nog relevant – ethisch, politiek, of gewoon voor jezelf, dat je nog rijker wordt? 

Er bestaat, volgens Ingrid Robeyns, nog vaak een romantisch beeld bij de rijken – als bijvoorbeeld briljante ondernemers die zijn opgeklommen tot sociaaleconomisch succes. In Rijkdom beschrijft ze dat we rijkdom als politiek-ethisch probleem zouden moeten zien. 

Het is aantrekkelijk om te denken dat rijkdom geen moreel probleem is, omdat niemand er last van lijkt te hebben. Het echte probleem is armoede. Ik moet zelf bekennen dat ik ook lang op deze manier heb gedacht over rijkdom, totdat ik een wetenschappelijk artikel las van Robeyns waarin ze het tegenovergestelde beargumenteerde. 

Er bestaat, volgens Ingrid Robeyns, nog vaak een romantisch beeld bij de rijken – als bijvoorbeeld briljante ondernemers die zijn opgeklommen tot sociaaleconomisch succes.

Rijkdom is een pamflet dat ingaat tegen deze aantrekkelijke gedachte, voortbordurend op Robeyns’ filosofische onderzoek. Robeyns ziet armoede ook als een groot probleem. Maar, zo stelt ze, juist onder andere daarom is rijkdom dat ook. Rijkdom is een begrijpelijk boekje (104 pagina’s) dat op een overtuigende manier een door Robeyns’ ontwikkeld idee verwoordt: limitarianisme – het idee dat rijkdom een moreel en politiek probleem is. 

Het pamflet bespreekt vijf argumenten die op zichzelf vaak al overtuigen om rijkdom te zien als probleem. (1) rijkdom, stelt Robeyns, ondermijnt niet alleen de democratie (denk aan de macht van lobby’s), maar (2) het is ook onverdedigbaar als we zien hoeveel mensen niet in hun basisbehoefte kunnen voorzien. 

Bovendien, (3) is bijna alle rijkdom verdiend aan vervuilende economische activiteiten, consumeren rijken meer, en zijn rijken daarom verantwoordelijk voor meer vervuiling. Een intercontinentale vliegvakantie is al snel meervoudig vervuilender dan de vervuiling die je kunt voorkomen door een jaar veganistisch te eten. Rijkdom, stelt Robeyns, is niet te verenigen met de plicht om ecologisch duurzaam te leven.

(4) extreme rijkdom is niet de verdienste van de rijken, maar een gevolg van een proces waarin niet alleen geluk een grote rol speelt, maar vooral ook de bestaande infrastructuur en technologie die voorgaande generaties voor ons hebben gecreëerd. Rijken kunnen allen zo rijk worden doordat de samenleving dit voor hen mogelijk maakt. 

Ten slotte, (5) een van de meest verrassende argumenten die Robeyns ontwikkelt is dat rijkdom helemaal niet zo goed is voor de rijken. Hier bouwt ze op een Aristoteliaans idee: een goed leven is een leven waarin we floreren als mens, maar na een bepaald bedrag (2 miljoen?) draagt meer vermogen helemaal niet meer bij aan floreren: je kunt niets meer kopen wat je leven nog beter maakt. Empirisch onderzoek geef Aristoteles gelijk: de superrijken zijn niet per se gelukkiger zijn dan mensen die ruim genoeg hebben. Rijken raken gewend aan luxe, en genieten minder van een luxe diner dan mensen voor wie een luxe diner uitzonderlijk is.

Ik kan niet anders dan concluderen dat Rijkdom bijzonder overtuigend is. Misschien is op sommige argumenten iets af te dingen. Sommige rijken zijn jetsettende Jeeprijders die zich over de wereld laten vervoeren in privévliegtuigen, maar er zijn ook rijken die in Tesla’s rijden, warmtepompen installeren in hun villa’s, en een groot gedeelte van hun vermogen gebruiken om armoede te bestrijden waar overheden te weinig doen (denk bijvoorbeeld aan Bill Gates).

Als je bedenkt dat er nog jaarlijks miljoenen mensen sterven aan te behandelen ziektes, doordat ze te weinig middelen ter beschikking hebben, en Jeff Bezos 114 miljard aan bezit heeft, kan je bijna niet anders dan concluderen dat hier iets fout gaat.

Je kunt je afvragen of zonder deze laatste groep broodnodige technologische vooruitgang in de vorm van elektrische auto’s, betere zonnepanelen en poliomedicatie wel mogelijk is. En, als rijkdom echt niets meer toevoegt aan hoe goed je leven is, zouden de superrijken niet zelf tot de conclusie komen dat ze hun geld net zo goed kunnen weggeven? 

Maar, zelfs als je Robeyns’ stellingen maar deels accepteert, moet je tot de conclusie komen dat echte rijkdom – het verschil tussen het goed hebben, en niet weten wat je met je geld moet doen – compleet in het niet valt bij alle morele problemen die ertegenover staan. Als je bedenkt dat er nog jaarlijks miljoenen mensen sterven aan te behandelen ziektes, doordat ze te weinig middelen ter beschikking hebben, en Jeff Bezos 114 miljard aan bezit heeft, kan je bijna niet anders dan concluderen dat hier iets fout gaat.

Als hij 99% van zijn vermogen zou doneren, zou zijn leven dan echt zóveel slechter worden? En zelfs als je denkt dat zijn leven er slechter van wordt, staat dat echt in verhouding met hoeveel lijden er te voorkomen is met dat geld? Rijkdom nodigt ons uit om kritisch na te denken over de vraag hoeveel rijkdom wenselijk is. 

Socratesbeker

Rijkdom van Ingrid Robeyns is genomineerd voor de Socratesbeker, een jaarlijkse prijs voor het meest urgente, oorspronkelijke en prikkelende Nederlandstalige filosofieboek.

Bij Nader Inzien is op zoek naar filosofen (gepromoveerden, promovendi, studenten) die het leuk vinden om hun academische expertise in te zetten om de voor de Socratesbeker genomineerde boeken te recenseren. Wil je een recensie voor ons schrijven, neem dan contact met ons op via bijnaderinzienblog@gmail.com.


Meer:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *