Door Deva Waal (Promovenda KU Leuven)

Traditioneel gezien wordt taal binnen de filosofie als een probleem beschouwd. Aan de ene kant willen we als filosofen vaak universele en tijdloze waarheden en inzichten presenteren, maar aan de andere kant zijn we altijd gebonden aan de toevalligheden van de taal. De vraag rijst dan of de taal eigenlijk wel uitgerust is om de taak van het uitdrukken van onze ideeën te vervullen. En zo niet, hoe zouden we het domein van betekenisloosheid dan (in taal!) kunnen beschrijven?

Eén van de bekendste filosofen die zich met dit probleem heeft beziggehouden was Ludwig Wittgenstein. In zijn bekendste werk, de Tractatus Logico-Philosophicus, schetst hij een theorie van taal waarin de grenzen van zin en onzin, betekenis en betekenisloosheid, duidelijk worden. Dat werk was een belangrijke inspiratiebron voor onder andere de filosofen van de Wiener Kreis, die probeerden een perfecte logische taal te formuleren. Zo’n taal, dachten zij, zou alle communicatieproblemen oplossen. Natuurlijke talen hebben allemaal hun beperkingen, toevalligheden en ambiguïteiten. Als we daarentegen een taal hebben die (logisch) perfect is, dan kunnen we daarmee ook die universele filosofische waarheden probleemloos uitdrukken. 

Traditioneel gezien wordt taal binnen de filosofie als een probleem beschouwd

Eén van de grootste critici van deze opvattingen over de mogelijkheid van een ‘perfecte’ taal, maar ook van de rol van de filosofie als producent van universele waarheden, was uiteindelijk Wittgenstein zelf. In zijn latere werk kwam Wittgenstein terug op de gedachte dat er zoiets was als een ideale logische taal die helderder is dan welke natuurlijke taal dan ook. 

Het filosofische probleem is dus als volgt: we hebben filosofische inzichten opgedaan en willen deze communiceren. Maar zodra we dat doen, lopen we tegen de grenzen van onze taal aan, want deze lijkt ontoereikend om de complexe structuren van onze gedachten en inzichten weer te geven. Dit probleem is herkenbaar voor ons, want iedereen heeft wel eens uitdrukking proberen te geven aan iets, zonder daar de juiste woorden voor te kunnen vinden. 

Wittgenstein vraagt in zijn latere werk echter aandacht voor het feit dat wij in de meeste gevallen vrijwel zonder erbij stil te hoeven staan uitdrukking kunnen geven aan onze ideeen. Volgens Wittgenstein is dit gegeven veel belangrijker dan die uitzonderlijke situaties waarin we met onze mond vol tanden staan. 

Als we deze omdraaiing accepteren, ontstaat er een ander beeld van de mogelijkheden en onmogelijkheden van de taal. Wittgenstein benadrukt dat het gebruik van de taal uiteindelijk de betekenis ervan bepaalt. Als we willen weten wat de betekenis van een uitdrukking is, gaan we niet in een hoekje zitten broeden in de hoop dat deze ons te binnen schiet, maar kijken we hoe de uitdrukking gebruikt wordt binnen de taalgemeenschap, bijvoorbeeld door het te vragen aan competente mede-taalgebruikers.  

Dit nieuwe perspectief op wat taal is, en hoe betekenis totstand komt, is belangrijk voor het talige probleem van de filosofie waar we mee begonnen. Wittgenstein staat bekend om zijn ‘therapeutische’ methode, waarmee hij aan de hand van voorbeelden en tegenvoorbeelden laat zien dat de problemen waar de filosofie mee kampt feitelijk pseudoproblemen zijn. In andere woorden: de filosofie heeft zich laten misleiden door het idee dat er abstracte, filosofische ‘betekenissen’ zouden zijn die zich moeilijk in taal laten vatten. Betekenis komt namelijk niet los van onze talige praktijken tot stand. 

Wittgensteins taalfilosofie laat enerzijds de creatieve kracht van taal zien en vormt anderzijds een waarschuwing voor de verantwoordelijkheid die hiermee gepaard gaat

Wat belangrijker is dan het inzicht dat dit probleem een pseudo-probleem is, is het inzicht dat taal in feite een oplossing kan vormen voor veel filosofische problemen. In het bijzonder kan het bestuderen van onze taal ons inzicht geven in de manier waarop wij, bewust of onbewust, vertrouwen op bepaalde zekerheden. Als ik bijvoorbeeld schrijf, “Een voetballer moet goed tegen een bal kunnen trappen en hij moet ook hard kunnen rennen,” dan gaat daarin de impliciete vooronderstelling schuil dat een voetballer een man is. In het onderzoek naar vooronderstellingen en zekerheden zou de filosofie van taalanalyse gebruik kunnen maken. Maar de filosofie moet zich ook kritisch verhouden ten opzichte van dit soort vooronderstellingen. Deze worden namelijk overgeleverd door middel van taal en op die manier komt vrouwenvoetbal natuurlijk nooit uit het verdomhoekje.

Wittgensteins taalfilosofie laat enerzijds de creatieve kracht van taal zien en vormt anderzijds een waarschuwing voor de verantwoordelijkheid die hiermee gepaard gaat. De filosofie kan gebruik maken van de taal door vooronderstellingen bloot te leggen en te bevragen, en ons hiermee wapenen tegen de in de taal overgeërfde vooroordelen van het verleden. Als we allemaal een beetje beter op onze woorden letten, in het besef dat woorden altijd kleur bekennen, dan kunnen we daarmee racisme, sexisme, en andere ongewenste –ismes zo veel mogelijk buiten de deur houden. Wat je zegt ben je zelf. 


Meer:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *